Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dat anderen de zaak op gelijke wijze beschouwden, is den Minister uit het verslag der Commissie van Rapporteurs gebleken. Lateischeen men in dat vermoeden te mogen wankelen, vooral op het betoog in de Memorie van Beantwoording, dat wij, tengevolge van deze wet. zóó weinig zedelijke lichamen zouden zien opkomen, dat het recht van erkenning of weigering bijkans niet in uitoefening zou worden gebracht. Ik wist daarmede wel niet volkomen liet »van Onzentwege" in art. 5 te rijmen. Waarom, behalve „door Ons", „van Onzentwege", tenzij de Minister, te dezer zake. op te vele voordrachten rekende, dan dat liet niet noodig zou worden, een deel van den arbeid aan ondergeschikte ambtenaren over te dragen ?

Hoe dit zij. zoo ik twijfelde, de Minister heeft 1111 allen twijfel opgeheven. Uit zijne rede blijkt, dat de mildheid der eerste artikelen alleen op voorwaarde eener aanneming van artt. 5 tot 14 wordt aangeboden.

Volgens den Minister heb ik de vraag in het midden gelaten, of zedelijke lichamen erkenning behoeven. Geenszins. Maar het recht van erkenning heeft in mijn oog slechts waarde, zoo het rust op een stelsel der regels, die ik van den wetgever ten aanzien van de zedelijke lichamen verlang.

Bij voorbeeld indien — gelijk de Minister van Justitie beweert — de rechtshandeling, de werking en vertegenwoordiging van het zedelijk lichaam naar buiten tot dusver slecht is geregeld, dan wensch ik dat de wet daarin voorzie. Is meer verantwoordelijkheid noodig, de wet stelle die in.

De Minister betwist het door mij gemaakte onderscheid iusschen staats- en burgerrechtelijk: volgens hem behoort alles, wat den stand der personen betreft, tot het staatsrecht. Mij dunkt. neen. De civielrechtelijke stand der- personen is onderwerp der burgerlijke wet. E11 tot de personen, in hun civielrechtelijken stand beschouwd. behooren zoowel vereenigingen als individuen. Daarenboven hier is geen sprake van personen of persoonlijke vereenigingen als zoodanig, maar van de betrekking eener vereeniging tot haar goed. welke het zedelijk lichaam kenmerkt.

Zoo de Minister verder zegt: „de burgerlijke wet is buiten haar terrein getreden : dan durf ik. omgekeerd, beweren, dat zij binnen haar terrein is gebleven, en dat wij het burgerlijk recht op zijn eigen gebied moeten regelen.

De Minister heeft zich van vooringenomenheid tegen de zedelijke lichamen verschoond. „Ik ben." zegt hij. „zulk een aartsvijand van die lichamen niet. maar ik wil de Engelsche en ^Noord-Amerikaansche wetgeving. Het Noord-Amerikaansch recht ken ik niet, zoodat ik de hulptroepen, welke de Minister vandaar heeft laten aanrukken, niet durf bestrijden. Wat het Engelsche recht betreft, dat is mij

Sluiten