Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kont twee klassen van verbodene vereenigingen: de eene klasse omvat de vereenigingen. welke ój wet zelve verbiedt, de andere klasse die. welke verboden kunnen worden onder andere door Koninklijk besluit.

Nu zegt art. 14: „Vereenigingen, welke vóór het in werking komen dezer wet bestonden, worden beoordeeld naar de wetten, waaronder zij zijn daargestekl." Er is, Mijnheer de Voorzitter, in deze wet reeds zooveel willekeur, dat ik wrensch. in het overig gedeelte willekeur zooveel mogelijk tegen te gaan.

Dit brengt mij tot het doen van een paar vragen, om de uitlegging van dit artikel te zien vaststellen.

In de eerste plaats vraag ik den Minister, of hij niet gelooft, dat zedelijke lichamen, in vroeger tijd opgericht, sedert de invoering van ons Burgerlijk Wetboek, naar dat wetboek moeten worden beoordeeld? Moet men niet aannemen, dat, sedert die invoering dat wetboek voor alle vereenigingen, zedelijke lichamen of andere, het gemeene recht is geworden, ja, getreden in de plaats van de rechten, krachtens welke zij vroeger kunnen zijn ontstaan ?

Eene tweede vraag. Er bestaan op het oogenblik van de invoering van deze wet, aangenomen dat het ontwerp wet worde, zedelijke lichamen. Die zedelijke lichamen worden in de regeling, die zij op het oogenblik van de invoering van deze wet hebben, dooi haai niet getioffen. I)it is klaar. Maar nu veranderen die zedelijke lichamen hunne statuten. Dan rijst de vraag: moeten die zedelijke lichamen, hunne statuten na de invoering van deze wet vei anderende, die \eraiidering naar deze wet laten beoordeelen?

Ik zou de vraag, algemeen, ook zoo kunnen stellen: zetten die zedelijke lichamen, onder de heerschappij van het Burgerlijk Wetboek tot stand gekomen, de bevoegdheid, volgens dat wetboek daaraan verbonden, steeds voort?

En hiermede staat eene derde vraag in verband. Op dit oogenblik kan eene vereeniging, zoodra zij het goed vindt, een zedelijk lichaam worden. Dat hangt van de vereeniging zelve af. Nu wordt deze wet ingevoeld: behoudt ook daarna die vereeniging de macht, de bevoegdheid, die zij op dit oogenblik heeft uit het Burgerlijk Wetboek? Welke is, in dit opzicht, de ware toepassing van het beginsel, dat de wet geene terugwerkende kracht heeft, het eenige dat de Minister in zijne Memoriën van Toelichting en van Beantwoording hierbij heeft ingeroepen ?

Naar welke wet zijn de zedelijke lichamen, vóór de invoering van het burgerlijk wetboek opgericht, te beoordeelen?

Hebben reeds bestaande vereenigingen bij wijziging der statuten goedkeuring te vragen"?

De Minister heeft mij wederlegd alsof ik in dwaling ware en ik heb enkel vragen geopperd, zoodat, wanneer ik in dwaling thorbecke, Parlementaire redevoeringenf 1854—1855. 11

Sluiten