Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ln de tweede plaats: de Regeering wenscht — en daaruit blijkt, dat ik de strekking van art. 5 ') wel had begrepen — bij deze gelegenheid het beginsel uitgemaakt te zien dat die vrijvallende renten doorgaans en zonder verdere beschikbaarstelling zullen worden besteed tot amortisatie van schuld. Het schaadt niet. zegt de Minister, want de vrijheid van overschrijving moet toch telken jare worden verleend. Mij dunkt, dit antwoord ziet op art. 5. en strekt geenszins tot de wederlegging van hetgeen ik heb betoogd, dat. namelijk, de vrijheid van den jaarlij kschen wetgever bij de begrooting door art. 4 op eene niet behoorlijke en niet nuttige wijze wordt belemmerd.

In de derde plaats zegt de Minister: „de renten van het fonds moeten toch worden uitgetrokken op de begrooting".

Dit is volkomen waar, maai- ik vraag, wat doet dit af tot mijn betoog ? De Minister schuift een schakel tusschen mijne redeneering in. maar het slot blijft hetzelfde. Ik heb gezegd, dat 't geen gebruikt zal worden tot amortisatie van schuld, voortkomt uit belasting. De Minister zegt: „de vrijvallende renten moeten toch op de begrooting worden gebracht, zoodat de belastingen niet met die som kunnen worden verminderd". Wanneer als regel wordt aangenomen, dat die vijf tonnen gouds tot amortisatie zullen worden besteed, dan verklaren wij bij deze wet dat jaarlijks een half millioen zal worden opgebracht om schuld te vernietigen. Dit nu is juist hetgeen ik niet vvensch. Ik wensch zulk eene verplichting niet op te leggen. Hetgeen ik wensch is dat door eene behoorlijke regeling van het belastingstelsel de natie in staat gerake om meer op te brengen, en alzoo ook den last der schuld lichter te dragen.

Antwoord aan de heeren Mackay en Dirks.

Mijnheer de Voorzitter, ik wil van de vergunning tot spreken, mij verleend, gebruik maken om een enkel woord te zeggen over hetgeen ik van een paar sprekers heb gehoord.

Volgens den heer Mackay is het voorschrift van art. 4 enkel een maatregel van orde, waarop wij morgen kunnen terugkomen. Ik twijfel of de Minister die ondersteuning zal goedvinden. De Minister heeft ons gezegd: „Hier moet het beginsel worden uitgemaakt, of. zoo de toestand der schatkist lj,et gedoogt, de vrijvallende renten zullen worden bestemd tot aflossing van schuld". Het is mij niet voorgekomen dat de Minister bijzonder hechtte aan dat beginsel: maar hij wil dat over het beginsel worde beslist. Derhalve het voorschrift van dit artikel te beschouwen als een

') Regeling der verevening.

Sluiten