Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

maati egel \an orde, waarop men morgen zou kunnen terugkomen, die beschouwing is, geloof ik. niet in den geest der Regeering.

De afgevaardigde uit Leeuwarden (de heer Dirks) merkt het als een maatregel van zuinigheid aan. dat half millioen voor altoos tot amortisatie van schuld te bestemmen. Ik erken, dat wanneer wij vijf tonnen gouds voor vast uittrekken ten behoeve van schulddelging. er zooveel minder voor andere uitgaven overig blijft. Maar is dat zuinigheid? Het is althans niet die, welke ik in de huishouding van den Staat zou wenschen te zien betrachten.

Ien slotte: art. 4 zegt: „na afloop van elk dienstjaar, of zooceel vroeger als met zekerheid zal kunnen geschieden en de vermoedelijke uitkomst van het dienstjaar dit zal gedoogen". Het oordeel hierover wordt geheel en al gelaten aan den Minister, die dus ïeeds in den loop van het dienstjaar, des goedvindende van maand tot maand, over de vrijvallende renten tot inknop van schuld zal kunnen beschikken.

14 Maait. Ontwerp van wet betreffende de kosten der huizen van bewaring. Algemeene beraadslaging. Het ontwerp bracht de kosten van oprichting, inrichting en onderhoud der kantonnale gevangenissen ten laste der gemeenten.

Ik heb, Mijnheer de Voorzitter, tweeërlei bedenking tegen dit ontwerp.

Vooreerst, het ontwerp regelt uitsluitend de kosten van oprichting, inrichting en onderhoud van huizen van bewaring voor zoover die huizen als kantonnale gevangenissen te beschouwen en tot bewaring van politiegevangenen bestemd zijn. Wie hier politiegevangenen zijn woidt uitgelegd door art. 4. Politiegevangenen zijn uitsluitend veroordeelden van wege overtredingen, strafbaar gesteld in het IVde boek van het Wetboek van Strafrecht of in gemeentelijke verordeningen. Onderscheidene andere politiegevangenen, waarvan de behandeling nu simul ac semel behoorde te zijn geregeld, worden voorbijgegaan. In het Eindverslag noemt men veroordeelden van wege diefstallen van eenvoudigen aard. van wege overtreding der wet op de jacht en visscherij en der algemeene maatregelen van inwendig bestuur en van de provinciale reglementen. Ik bedoel nu inzonderheid veroordeelden wegens overtreding van provinciale verordeningen. onder strafbedreiging volgens de wet van 1818 uitgevaaidigd, en van waterschapskeuren. Hoe zal daarmede gehandeld worden? In zooverre daarvan wordt gezwegen, komt mij de voorgestelde regeling onvolledig voor.

In de tweede plaats, Mijnheer de Voorzitter, meen ik hier te vinden eene uitzetting van een zeer gewichtig beginsel van de

Sluiten