Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

weerd, maar daarom juist meen ik te kunnen zeggen dat men, om alle straf te ontkomen, een zeer eenvoudig middel bezit: men heeft slechts niet te betalen.

Wat de tweede reden betreft, die ik heb ontleend aan eene wederlegging der Memorie van Beantwoording, ik meen dat daarop • door den Minister zóó is geantwoord, dat ik de zaak gerustelijk aan het oordeel der Vergadering kan overlaten.

Ik wensch echter ook op dit punt mede te werken tot de aanneming der wet, en zal mij dus gaarne voegen bij het amendement, dfit door den geachten afgevaardigde uit Almelo (den heer van deiLinden) is voorgesteld.

I>c lieer van der Linden diende nu formeel een amendement in.

Ik wenschte den geachten voorsteller van het amendement in bedenking te geven, of niet bij de eerste woorden: .Indien een veroordeelde", moet worden toegevoegd: „tot geldboete"? daar toch hetgeen volgt alleen op zoodanige veroordeeling tot geldboete betrekking heeft.

In de tweede plaats vraag ik. of het niet noodig is bij dit artikel, zooals het door den geachten voorsteller is ontworpen, als 2de alinea te voegen hetgeen wij ook lezen in art. 165 van de gemeentewet: .Nochtans, indien behalve de geldboete ook gevangenisstraf is opgelegd, kunnen de beide gevangenisstraffen"te zamen den tijd van zeven dagen niet te boven gaan"? Het doel dier bepaling is. binnen de grens van het rechtsgebied-van den kantonrechter te blijven.

Desnoods, Mijnheer de Voorzitter, neem ik de vrijheid, om, indien de voorsteller van het amendement die bijvoegingen niet wil overnemen, ze als subamendementen voor te stellen.

Algemeene beraadslaging over de tweede paragraaf. De paragraaf handelde over „de middelen tot voorziening bij verzuim of weigering: van besturen om werken uit te voeren en hunne schulden te voldoen, of bij gebreke van beheer". Uitvoering van noodzakelijke werken, welke de daartoe verplichten niet tot stand brachtten. kon volgens het ontwerp, door gedeputeerde staten worden bevolen. Indien het bestuur van het waterschap van oordeel was, dat de bevolen werken niet noodzakelijk waren, stond beroep van de beslissing van gedeputeerde staten op de kroon open. Daarentegen indien het bestuur niet de noodzakelijkheid tot het doen verrichten van het werk. doch zijne verplichting daartoe verlangde te ontkennen, dan kon het bij de arrondissements-rechtbank daarover eene beslissing uitlokken (Vergel. Dl. 1852—1&54, blz. 222 vlg.).

Mijnheer de Voorzitter, met genoegen zie ik dit onderwerp opnieuw aan de orde gebracht. Het is een gebied, dat ik lief heb en waarover ik sedert eene reeks van jaren, naar mijn vermogen heb getracht licht te verspreiden.

Sluiten