Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Mij dunkt, tweeërlei: vooreerst, het oordeel of degene, over wien toezicht wordt gevoerd, zijn plicht hebbe vervuld, en in de tweede plaats, de macht om hem, hij nalatigheid, aan zijn plicht te houden. Beide hoofddeelen worden door het aanhangig voorstel aan dat toezicht onttrokken. De beslissing, daar het op aankomt, zal niet aan het provinciaal bestuur, niet aan den Koning, maar aan den burgerlijken rechter behooren.

In het stelsel van de Grondwet vormen — zoo ik mij niet bedrieg — alle waterschappen eener provincie, nauwer of losser onderling verbonden, een geheel en aan het hoofd van dat geheel staan de Provinciale Staten. Deze hebben met de Kroon de wetgevende macht over dat geheel en over zijne deelen. de bijzondere waterschappen. De uitvoering van de uit die macht afkomstige verordeningen of reglementen behoort, volgens art. 152 der provinciale wet. aan de Gedeputeerde Staten. Zij hebben de beslissing dei- geschillen, over die uitvoering gerezen, eene bevoegdheid, die hun in art. 153 dier wet uitdrukkelijk wordt toegekend. Ik vraag, of niet aan dit grondwettig stelsel wordt te kort gedaan, wanneer wjj de uitspraak over die geschillen naar den burgerlijken rechter overbrengen, en alzoo uitvoering zoowel als toezicht van zijne beslissing afhankelijk maken.

Welk is het systeem dat ons wordt voorgedragen? De betwiste verplichting van een waterschap rust op zijn reglement, en dat reglement is afkomstig van de provinciale macht. Dat reglement kan door de provinciale macht, wanneer zij dit goedvindt, worden herzien en veranderd. De uitvoering van dat reglement behoort aan de Provinciale Staten. Tot die uitvoering, tot de toepassing van dat reglement, behoort het oordeel of het waterschap verplicht is zeker werk te maken. Welnu, volgens hetgeen men ons voorstelt. zullen Gedeputeerde Staten niet oordeelen: althans liet hoogste, het beslissende oordeel zal aan den burgerlijken rechter zijn opgedragen.

Ik vraag niet, hoe gemakkelijk dergelijke rechtspraak te verijdelen zou zijn. Indien toch de burgerlijke rechter in het z-eglement, zooals het tot dusver bestond, geen genoegzamen grond voor eene verplichting vindt, die volgens het oordeel van Provinciale Staten bestaat, dan hebben dezen niets anders te doen dan het reglement te veranderen om daarin eene verbintenis op te nemen, die aan den burgerlijken rechter niet duidelijk genoeg was gebleken. Ik stip dit slechts aan. omdat ook hierin, dunkt mij, zichtbaar is. hoe weinig de nieuwigheid, die men ons voorstelt, met eene eenparige en juiste werking van de door de Grondwet gestelde machten is overeen te brengen.

Ik weet hetgeen aan onze administratieve rechtsmacht inzonderheid tot verwijt strekt — ook in mijn geest. — dat zij niet be-

Sluiten