Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

behoort te oordeelen. Ik geloof, dat men den burgerlijken rechter met het bestuur, met de handelingen van het bestuur als zoodanig zoo min mogelijk in aanraking moet brengen, zoowel opdat de burgerlijke rechter niet van de Regeering, of deze van hem afhankelijk worde, als in het belang van de onafhankelijkheid, van het onkreukbaar, volstrekt dwingend gezag van den burgerlijken rechter zeiven.

De Minister van Justitie vraagt: men heeft vrijdommen bedongen, waarop moet worden gelet, en zoo daar niet op gelet wordt door het uitvoerend gezag, zal men niet bij den rechter mogen komen? VV ie heeft dat betwist, voor zooveel zoodanig beding op een privaatrechtelijken grond rust? Wat is tot dusverre betwist, en inzonderheid door mij ? Enkel het nieuw middel, dat men hier wil geven. Ik heb geenszins betwist, dat, wanneer de zaak uit haren aard behoort tot het rechtsgebied van den burgerlijken rechter, het waterschap, dan, evenals ieder ander, moet kunnen doen hetgeen tot dusverre rechtens was. Maar meer dan hetgeen tot dusverre rechtens was, een verzet tegen de hoogere administratieve autoriteit, ik geloof niet, dat zoodanig middel zonder krenking dier autoriteit en der Grondwet aan de waterschappen kan worden geschonken.

„De kosten komen op de ingelanden." Ja. Mijnheer de Voorzitter, zij komen ook op de ingezetenen van de gemeente, wanneer aan de gemeente eene verplichting wordt opgelegd, die met opoffering van geld moet worden gekweten; want hoogstwaarschijnlijk zal in de meeste gevallen het geld door eene belasting moeten worden gevonden. Ik wensch niet in alle opzichten de waterschappen met plaatselijke gemeenten gelijk te stellen, maar in dit opzicht is het eene en dezelfde vraag, waar het wettelijke verplichtingen geldt, hetzij van plaatselijke gemeenten, hetzij van provinciën, hetzij van waterschappen.

Niet of het werk van dezen of genen omvang, of het meer of minder kostbaar zal zijn. is de vraag, zegt de Minister, maar of men verplicht zij. Evenwel zal. zooals ik gisteren reeds aanmerkte, de vraag zich zeer dikwijls juist in die gedaante voordoen. Het waterschapsbestuur zal niet ontkennen dat het verplicht is, maar het zal niet willen gehouden zijn in die mate. En nu komt het bij den burgerlijken rechter om, volgens de uitdrukking van de Memorie van Beantwoording, eene vordering tot ongehoudenheid te doen; van ongehoudenheid om het werk te maken zooals het door de Gedeputeerde Staten is voorgeschreven.

Ik wil nog een enkel punt uit de rede van den Minister van Binnenlandsche Zaken opnemen.

Ik erken vooraf, zij die met den Minister de tusschenkomst van den burgerlijken rechter voorstaan, vinden een schijn van grond in de omstandigheid, welke de geachte spreker, die dezen morgen de

thorbecke. Parlementaire Redevoeringen, 1854—1855. 13

Sluiten