Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

d. de geschillen tusschen waterschappen, betreffende öf de verplichting tot het onderhoud van werken, öf de genoegzaamheid van het onderhoud."

Ten aanzien van het toezicht op de werken zegt art. 9: „Wanneer waterschapsbesturen eenige werken ondernemen of het onderhoud der te hunnen laste zijnde werken verzuimen, waardoor het provinciaal belang of de waterstaat van andere waterschappen wordt benadeeld, kunnen Gedeputeerde Staten gelasten, dat het ondernomene dadelijk worde gestaakt en, voor zooveel noodig, weder opgeruimd, of dat het gebrekkige, door het bestuur met het onderhoud belast, terstond worde hersteld of in orde gebracht."

En nu de middelen van uitvoering. In art. 12 lezen wij: „Wanneer door de Provinciale Staten of door Gedeputeerde Staten aan een waterschapsbestuur de uitvoering van eenig werk. eenige staking of opruiming krachtens deze verordening is gelast, of eenig ander bevel, ter uitvoering van wetten of wettige verordeningen, is gegeven, en de hoofd-ingelanden of de vergadering van stemgerechtigde ingelanden weigeren daartoe de vereischte medewerking te verleenen, dan kunnen Gedeputeerde Staten de uitvoering van het bevolene aan het college van dagelijksch bestuur opdragen."

Art. 13. „Weigeren de hoofd-ingelanden of de vergadering van stemgerechtigde ingelanden de kosten, door de uitvoering van het bevolene te veroorzaken, in den omslag op te nemen, dan kunnen Gedeputeerde Staten het college van dagelijksch bestuur machtigen, eenen buitengewonen omslag, tot vinding dier kosten, te doen."

Hierna komt in de laatste plaats het eenige geval, waarop de Minister uitsluitend de aandacht heeft gevestigd.

Art. 14 zegt: „Weigert of verzuimt het college van dagelijksch bestuur het bevolene uit te voeren, dan kunnen Gedeputeerde Staten een gevolmachtigde benoemen om het bevolene ten uitvoer te brengen. De kosten door die uitvoering veroorzaakt, zullen in dat geval — door de Gedeputeerde Staten worden voorgeschoten, en, namens de provincie, op de individueele leden van het nalatige of weigerachtige bestuur worden verhaald."

In het voorbijgaan doe ik opmerken dat hierin eene wederlegging is opgesloten van hetgeen de Minister in de Memorie van Beantwoording heeft herhaald. Indien het waterschap ongehouden mocht worden verklaard, moeten de kosten, volgens dat beweren, niet komen ten laste van de provincie, maar van den Staat. Hoe toch zou het gaan, wanneer de provinciën daarmede werden bezwaard? „Zoo eensklaps het gevaar dreigt, en de Staten zijn niet bijeen, in welke moeilijkheid zou het gewestelijk bestuur zich dan bevinden!"

Volgens het Noordhollandsch reglement is, blijkens art. 14, het voorgespiegelde bezwaar niet aanwezig. Inderdaad kan bij den

Sluiten