Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de Voorzitter, is soms het recht van verzet tegen het gezag voor den burgerlijken rechter, en terecht, gegeven; maar een publiek bestuur met het recht van verzet bij den burgerlijken rechter tegen het hooger gezag te wapenen, dat, Mijnheer de Voorzitter, druischt tegen mijne gouvernementeele conscientie aan; dat ware, vergeef mij de uitdrukking, in strijd met alle gezonde begrippen van regeering, eene volslagen verwarring van publiek en privaat recht. Mijns inziens moet de burgerlijke rechter in zaken van het rechterschap van bestuur evenmin gemengd worden, als het bestuur in de taak van den burgerlijken rechter. Dit is, geloof ik, eene waarheid, overal, in alle takken van regeering, vast te houden, zoolang men eene behoorlijke onderscheiding vau macht op prijs stelt. Doch al mocht zij in andere takken worden verwaarloosd, zij moest gehandhaafd blijven op het gebied van den waterstaat, waar bovenal, meer dan op eenig ander, streng recht en een streng bestuur te pas komen.

Het was, voerde de minister van justitie tegen, een vaste regel, dat hij, die het maken van een werk gelast, ook de kosten behoort te dragen. Hier zou echter degeen, die tot het verrichten van het werk den last gaf, aan eene „vereeniging van landeigenaren-' de verplichting tot betalen kunnen opleggen. Dan behoorde op de vereeniging echter ook de verplichting te rusten, te voldoen aan den opgedragen last. Over die verplichting moest de rechter oordeelen. Indien de uitvoerende macht zich een recht van beslissing daarover aanmatigde, dan werd zij rechter in hare eigene zaak, tegen de leer van Montesquieu in: „II n'y a point encore de liberté, si la puissance de juger n'est pas séparée de la puissance législative et de 1'exécutrice."

Mijnheer de Voorzitter, ik zal de bestrijding, die mijn amendement heeft ondervonden, in hare volle waarde laten. Ik zal 11a hetgeen vooral ook door den vorigen spreker gezegd is, mij geene tegenspraak meer veroorloven, behalve op een enkel punt van de rede van den Minister van Justitie.

De Minister begon met eene stelling, die hij meer dan eens heeft herhaald : „hij, die het werk gelast, moet de kosten betalen". De Minister gelooft, dat er nauwelijks een lid in de Vergadering zal zijn die deze stelling niet toegeeft. Mijnheer de V oorzitter, ik behoor onder die leden, en getroost mij zelfs desnoods het eenig' lid te zijn. Wij spreken hier van publiek recht; wij spreken hier van het gelasten van het publiek gezag, en zoo daar de stelling opging, dat hij, die de werken gelast, ook de kosten moet betalen, dan vraag ik of regeeren mogelijk zou zijn. Wij spreken hier niet van de betrekking tusschen den partikulier en hem, aan wien hij arbeid opdraagt. Ik meen dus de stelling des Ministers te mogen betwisten en ben zelfs zoo stout aan te nemen, dat er nog andere

Sluiten