Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zij van hem afvallen, maar hij vergat dat hij zelf het initiatief van den afval genomen heeft.

De Minister^ heeft ons inzonderheid gewezen op de afschaffing die hij in IS 17 had voorgesteld. Ik had eene gansch andere voorstelling, dan de Minister scheen te hebben, van de geschiedenis van dien finantieelen maatregel. Nu heb ik mijne herinnering nog eens gecontroleerd, en wat heb ik gevonden-' Dat de Minister in 1847 de afschaffing van den accijns op de rogge heeft voorgesteld tot kwijting van eene belofte, die hij gedaan had bij eene vroegere voordracht waarvan de strekking was - eene strekking die ik zou hebben toegejuicht wanneer ik lid van de Kamer geweest ware — om den graanhandel vrij te maken. Die belofte was een middel om bij onderscheidene leden de bezwaren te boven te komen, die ze tegen zoodanigen maatregel koesterden. In zooverre kan men dus niet zeggen, dat het voorstel tot gedeeltelijke afschaffing uit erkenning van zijn nut of zijne noodzakelijkheid ontsprong, noch dat het hoofdbeginsel verbetering van ons belastingwezen was. Voorts werd die gedeeltelijke afschaffing voorgedragen, gelijk het voorstel, waarmede wij ons nu bezig houden, als een op zich zelf staande maatregel, en wat was daarvan het gevolg? Dat de Kamer de intrekking van den accijns op het gemaal van de rogge, alleen en als op zich zeiven staanden maatregel, zonder verband met eenig systeem van verbetering onzer accijnsen over het algemeen, met aannemelijk keurde. Men zag ook voor partieele afschaffing geene genoegzame reden. Het lot van liet ontwerp was — de Minister wist het - reeds vóór de discussie beslist. Het werd, meen ik, met zoovele woorden in het Verslag gezegd, en wij weten' dat de voordracht met eene groote meerderheid is afgestemd Derhalve, wanneer de Minister van dat voorstel van 1847 een bijzonderen titel ontleent om onder de afschaffers, dat woord nu in eervolle beteekenis genomen, te worden gerangschikt, dan is, dunkt mij, die titel zwak.

De verwerping dier voordracht had plaats in hetzelfde jaar, waarin de Minister, volgens zijne eigene herhaalde verzekering, martelaar geworden is voor eene ruime herziening der Grondwet, dus voor hetgeen de Minister nu in zijne laatste rede zijne zucht tot gematigden vooruitgang ook in de politiek heeft genoemd. Maar daarna, hebben wij ooit gelegenheid gevonden om in den neer van Hall, lid der Kamer, de strekking te bespeuren, die, volgens hem, _ die van zijn ministerieel leven zou zijn geweest ? Zoo mijne herinneringen mij niet bedriegen, dan heeft de Minister, als lid van de Kamer, de scheepvaartwetten en andere verbetering \ an ons belastingstelsel, zoo veel in zijn vermogen was, tegengewerkt; heeft hij nooit doen blijken, dat hervorming hem noodzakelijk voorkwam, vooral niet in deze richting die nu wordt ingeslagen.

Sluiten