Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zoo de Minister wellicht reden had om aan het toenmalig Gouvernement zijne plannen niet te openbaren, waarom zijn ze niet aan den dag gekomen toen hij met het Ministerie van Finantiën andermaal werd belast ?

En waardoor heeft zich dat tweede Ministerie van Finantiën anders gekenmerkt, dan door een ongelukkig conversie- en loterijontwerp ? In de Memorie van Toelichting of Beantwoording bij dat ontwerp werd wel gezegd, dat zekere ontwerpen tot regeling van ons belastingwezen gereed lagen, maar wij hebben daarvan nooit iets verder vernomen; wij hebben nooit vernomen dat die ontwerpen nader zijn overwogen, noch in welk verband zij stonden met het conversie-ontwerp. Het scheen natuurlijk, dat zij, bij afkeuring der conversie, aan de orde zouden komen. Maar met de intrekking van het conversie- en loterij-ontwerp verdwenen zij geheel.

Ik spreek niet, Mijnheer de Voorzitter, van de wijze waarop de Minister van Buitenlandsche Zaken ons bij onze vroegere voorstellen, van dezelfde richting als waarin dit voorstel gedaan wordt, heeft bejegend. Ik wil niet — ik heb de reden reeds gezegd — hetzij op den Minister van Buitenlandsche Zaken, hetzij op eenig lid van de Regeering, noch op eenig lid van de Kamer thans wraak nemen.

Het voorstel zelf. Ik wensch den hoofdgrond te verklaren, waarop ik dit voorstel goedkeur, en dien tegen misverstand te vrijwaren. Dit is noodzakelijk geworden, na de menigvuldige miskenning die aan de beginselen van hen, welke hier op hervorming' van ons belastingsysteem hebben aangedrongen, te beurt is gevallen. Het hoofdbeginsel, waaruit ik dit voorstel goedkeur, het beginsel onzer voorstellen in 1853 en 1854. is ons belastingstelsel te zuiveren van de elementen, welke de nijverheid drukken.

Door een geacht lid dezer Vergadering, niet ver van mij gezeten, den afgevaardigde uit Alkmaar (den heer Rochussen) hoorde ik zeggen . „ik behoor tot de afschaffers, maar tot de voorzichtige afschaffers". Wat mij betreft. Mijnheer de Voorzitter, ik zal het niemand kwalijk nemen, die mij onder de afschaffers niet wil tellen, want het is mij niet hoofdzakelijk om „afschaffing" te doen. Het is mij in allen geval niet om afschaffing uit een ander dan uiteen staatshuishoudelijk beginsel te doen. Gold het eene afschaffing enkel uit meêwarigheid, om redenen waarom men aalmoezen uitdeelt, niet ondersteund door die oeconomische en finantieele gronden, waarop het voorstel, dat wij behandelen, rust, ik zou er tegen zijn.

Het minst van al verlang ik de volkshuishouding te organiseeren. V\ ij die voorstellen gedaan hebben van gelijke strekking als het voorstel dat de Kegeering thans aan ons oordeel onderworpen heeft — wij meenen de wetten der volkshuishouding niet voorbij te zien. Het is integendeel juist in naam van die wetten dat wij

Sluiten