Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

maar met meer nog, met al hetgeen waarmede de accijnsheffing den prijs der waar verhoogt.

Hoe men het keere of wende, Mijnheer de Voorzitter, (en hoe redenen kunnen worden gekeerd of gewend, daarvan hebben wij al menig verrassend voorbeeld in deze discussiën gezien) — de arbeider zal altijd worden getroffen, omdat het productief kapitaal, en daarmede de voortbrenging, wordt aangetast. Alle beperking der voortbrenging is ten nadeele van den arbeider. Voor hem worden derhalve de middelen om tot eenige welvaart te geraken, om zijn toestand te verbeteren, om zich te ontwikkelen, om aan zijne kinderen eene goede opvoeding te geven, besnoeid.

Een andere twijfel werd geopperd door den geachten afgevaardigde uit Gouda (den heer de Brauw). De spreker uit Rotterdam, die dezen ochtend de discussiën heeft geopend (de heer Hoynck van Papendrecht), bejegende dien reeds. „De prijs zal, ondanks de afschaffing der belasting, dezelfde blijven, of zeifs klimmen." Het ontgaat den geachten afgevaardigde uit Gouda gewis niet, dat, zoo afschaffing van den accijns den prijs niet doet dalen, invoering van een accijns dien prijs niet doet klimmen. Durft de geachte afgevaardigde dat aannemen ? Zijn betoog wordt aldus gevoerd: afschaffing van den accijns vermindert den prijs, maar het gevolg van die prijsvermindering zal wezen meerder vraag, en deze zal den prijs weder doen rijzen. Men erkent dus, Mijnheer de Voorzitter, dat het gevolg der afschaffing zal wezen vermindering van prijs, maar men meent, dat die vermindering, ten gevolge van toenemende vraag, door verhooging zal worden gevolgd. Volgt hieruit, dat het brood duurder moet worden ? De geachte afgevaardigde vergunne mij vooraf de opmerking, dat bij het brood de zaak eenigszins anders gelegen is dan bij menige andere waar. Het verbruik van menige andere waar is, onder eene bepaalde volksmenigte, meer vatbaar voor grenzenlooze uitzetting dan het verbruik van brood. Heeft de afgevaardigde er voorts wel aan gedacht, dat eene toenemende vraag in de nijvere maatschappij door eene productie in oneindig grootere mate gevolgd wordt en gevolgd moet worden ? Ik mag den geachten spreker wel de duizenden voorbeelden herinneren, waaruit blijkt, dat, wannner de productiekosten van eene waar, of rechten, daarop gelegd, verminderden, de productie telkens in veel sterkere reden is aangegroeid, dan waarin de vermindering had plaats gehad. In Pruisen bracht men eens den accijns op de koffie tot de helft, en men zag de opbrengst aanstonds nagenoeg verdubbelen. Dat was, meen ik. in de vorige eeuw. Veel sterkere voorbeelden heeft ons, in deze eeuw, bovenal Engeland geleverd. De ondervinding is te dezen aanzien zoo overvloedig en beslissend, dat zij. ook zonder nadere verklaring, de waarheid, die ik inriep, genoegzaam staaft.

Sluiten