Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ik heb den afgevaardigde uit Amsterdam (den heer Baud) hooien zeggen, dat alle klassen van de maatschappij, ieder naar de mate van haar vermogen, in de staatslasten moeten bijdragen. Hij heeft zich beroepen op Léon Faucher, volgens wien hetgeen de schatkist kon vorderen een prélevement was op het disponibel gedeelte van het inkomen. Ik onderstel dat Léon Faucher, dat zeggende, niet gedoeld heeft op het inkomen, bestemd om de nijverheid te voeden, om kapitaal te zijn en als zoodanig nieuwe goederen voort te brengen of in arbeidsloon te worden besteed. Denkelijk meende Faucher dat gedeelte van het inkomen, dat bestemd is tot nietreproductieve vertering. En dan sluit ik mij aan die stelling volkomen aan, maar dan ligt daarin de bevestiging van mijn gevoelen, dat geene belastingen behooren te worden gelegd, of — want men kan niet op eens de misbruiken van vroegere tijden doen ophouden — niet langer behooren te blijven drukken dan onvermijdelijk is op dat gedeelte van het inkomen dat als kapitaal of arbeidsloon moet dienen.

De afgevaardigde heeft als stelsel van sommige leden van deze Vergadering, die dit voorstel in hunne bescherming nemen, vrijmaking van den arbeid genoemd. Het is mij voorgekomen, dat het woord vrijmaking van den arbeid, emancipatie, zoo al niet schrik, dan toch eenige huivering bij dien afgevaardigde heeft teweeggebracht. Maar van vrijmaking van arbeid, in den zin, waarin de geachte afgevaardigde de uitdrukking heeft gebezigd, is hier geen sprake. Hier is enkel sprake van vrijmaking van den arbeid van de belemmering, welke belastingwetten daaraan opleggen.

Eene Regeering heeft, meen ik, hetzelfde belang, als de bijzondere personen, dat de voortbrenging van goederen op geenerlei wijze worde beperkt. Waarin toch bestaat het publiek vermogen dan in deelen van het vermogen der partikulieren, deelen overgebracht tot de Regeering, om door haar tot publiek nut te worden besteed ?

Wanneer ik afschaffing van belasting verlang, dan vraag ik die niet hoofdzakelijk ten einde minder worde betaald. Op dit punt ontmoet ik met voldoening den afgevaardigde uit Delft, den heer Wintgens, die ons een tooneel heeft voorgesteld van de verkeerdheden, wanneer men het individueel belang plaatst tegenover het belang van het geheel. Mij dunkt ik heb dergelijke discussie met den geachten afgevaardigde meer gehad, maar dan waren de rollen verwisseld. Vroeger scheen hij mij tegen al wat naar centralisatie zweemt gestemd: nu meer geneigd om de rechten van het geheel te doen gelden. Van mijne zijde wensch ik hoegenaamd niet dat de offers, die het algemeen belang vordert, worden verminderd of ingekort. Ik zeg niet in de eerste plaats: hef weinig. Ik zeg in de eerste plaats: laat veel voortbrengen, laat toe dat er veel kunne worden voortgebracht; en gij zult, desnoods, veel kunnen heffen.

Sluiten