Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verlangd wordt, ik zou gaarne voor de verzending stemmen. Ik vraag nu, vooral na de discussie tusschen de geachte sprekers uit Hoorn en Assen (de heeren van Akerlaken en van Heiden), wat de Regeering met een dergelijk renvooi zal kunnen doen? Welke beteekenis zouden de Ministers daaraan moeten hechten? Zooals de spreker uit Assen zegt: „Men kan den Minister later daarover interpelleeren", — de toezending die hij voorstelt, geeft daartoe niet meer gelegenheid dan nu reeds bestaat. Bijzondere gelegenheid tot interpellatie zou worden gegeven, wanneer men aan het Ministerie een bepaald verzoek deed om inlichting of antwoord. Maar eenvoudige verzending is nutteloos, omdat men zonder haar evengoed of evenmin eene vraag over het onderwerp aan de Regeering zal kunnen richten als na de verzending. Dit is de reden. Mijnheer de Voorzitter, waarom ik mij tegen de verzending zal verklaren.

18 Juni. Ontwerp van wet tot afschaffing van den accijns op het gemaal. Algemeene beraadslaging (vervolg). Bij den aanvang der vergadering van den dertienden Juni, toen de algemeene beraadslagingen over het ontwerp negen dagen hadden geduurd, stelde de heer Dommer van Poldersveldt eene motie tot sluiting der discussie voor.

Mijn individueel gevoelen zou wellicht aan hetgeen de geachte spreker voorstelt gunstig zijn: ik durf evenwel noch voor zijne motie adviseeren, noch daarvoor stemmen. Onderscheidene leden hebben voor de tweede maal het woord gevoerd; zij hebben dus die beurten uitgeput die zij volgens de gewone orde van het Reglement mogen vervullen, zonder bijzonder verlof van de Kamer noodig te hebben. Het ander deel der leden heeft gelijke bevoegdheid: het ware. dunkt mij. evenzeer onbillijk die leden, die nu reeds het woord hebben gevraagd, te ontzetten van het recht dat zij bezitten. Ik zou den schijn niet willen hebben die leden daarvan te berooven. Men moet. meen ik. hun zeiven overlaten, of zij van hunne beurt willen afzien.

Ik meen daarom, dat de motie, hoe wenschelijk hare aanneming in sommige opzichten moge zijn. niet aannemelijk is. Ik zeg dat niet in mijn belang, want ik denk, ik hoop niet verplicht te worden opnieuw het woord te vragen, en zoo dat het geval mocht zijn, nadat de Minister van Finantiën gesproken zal hebben, zal het denkelijk in eenige woorden kunnen geschieden — iets hetgeen door deze motie geenszins wordt uitgesloten. Hetgeen ik wellicht te zeggen kan hebben in antwoord aan den Minister van Buitenlandsche Zaken, na zijne rede van gisteren, zal hoogstens in een paar woorden bestaan, die met eene repliek aan den Minister van Finantiën zeer wel kunnen worden verbonden.

Sluiten