is toegevoegd aan je favorieten.

De onuitgegeven parlementaire redevoeringen van Mr. J. R. Thorbecke

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Antwoord aan den minister van financiën.

De minister van buitenlandsche zaken kwam in eene felle redevoering tegen den heer Th. in het vuur. Het had hem, zei hij o. m., verrast, den spreker uit Maastricht te hooren verklaren, dat hij vóór de wet zou stemmen. Men zou wel begrijpen, hoezeer hem dit had moeten verbazen: „Sommigen uwer hebben misschien gehoord wat ik gehoord heb, dat de spreker bij eenige van zijne vrienden pogingen had aangewend om denkbeelden op te wekken van tegenstemming".

De Minister van Finantiën heeft het klein geschil, dat tusschen ons bestond, uit den weg geruimd. Evenwel is de Minister teruggekomen op zijne oorspronkelijke uitdrukking: „wij zijn voorzichtiger dan de voorstellers waren van de afschaffing van den accijns op de brandstoffen". Behalve hetgeen de geachte spreker uit Rotterdam (de heer van Bosse) daarop heeft geantwoord, meen ik den Minister in overweging te moeten geven, dat de beantwoording van die vraag ook afhangt van de beoordeeling van het equivalent. Toen onder ons het doen van een voorstel, gelijk wij er vervolgens een aan de Kamer hebben onderworpen, werd overwogen, was mijne eerste gedachte, ja mijn verlangen. — het was, zooals in de gedrukte stukken toenmaals is verklaard, het gezamenlijk verlangen der voorstellers — de afschaffing van den accijns op het gemaal aan de Kamer voor te stellen. Het was daarbij mijn geliefkoosd denkbeeld, het noodige equivalent zoo te regelen, dat het tevens eene verbetering van ons belastingsysteem ware. Ik meende, dat men het aequivalent moest zoeken, niet in eene direkte belasting of in verhooging eener direkte belasting, maar in eenen anderen accijns. Wij zijn gestuit op de moeilijkheid, die voor leden der Kamer bestaat om zoodanigen nieuwen accijns in een wets-ontwerp volledig uit te werken. Namen wij echter het gemaal, dan wilden wij niet alleen afschaffen, niet alleen verlichten, maar met denzelfden greep verbeteren. De Minister plaatst tegenover zijn voorstel tot afschaffing eene verhooging van opcenten. Met andere leden geef ik daaraan wel boven het oorspronkelijk ontwerp van het Ministerie de voorkeur; maar de opcenten zijn ook volgens mijn gevoelen geenszins boven gewichtige bedenking: want de fouten van ons belastingsysteem, zij worden door zulk eene verhooging der opcenten verhoogd en bezwaard.

Dat meen ik, Mijnheer de Voorzitter, van mijne zijde in overweging te kunnen geven, wanneer de Minister meent dat de voorzichtigheid van de Regeering zoo gunstig uitkomt bij de handelwijze van de voorstellers van de afschaffing van den accijns op de brandstoffen. Daarin is tevens het antwoord vervat op eene andere tegenwerping, niet van den Minister van Finantiën, maar die mij heeft verrast, op de tegenwerping namelijk dat zij, welke de intrekking van dien accijns hadden voorgesteld, tegen het voorstel der Kegeering moesten stemmen. Dat is, geloof ik, Mijnheer