Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zullen kunnen worden bezwaard, het zout, de zeep, de bieren, de azijnen, de brandstoffen, en zeer te recht, niet op. Ik wensch ook het vleesch uit te zonderen, als met de overige het eerst aan de orde om in het lot van den accijns op het gemaal te deelen, en wat antwoordt de Minister? Hij herinnert de vrijstelling van het varkens- en schapenvleesch van accijns.

Mijnheer de Voorzitter, ik neem die vrijstelling als eene reden voor mijn amendement. Het is erkend, dat die vrijstelling, voor zoover zij gunstige gevolgen heeft gehad, die vooral heeft gehad voor de bewoners van het platteland, en nu vraag ik. of het billijk is, dat men de belasting op een gelijk voedingsmiddel, inzonderheid ten nadeele der stedelingen, verhooge? Het komt hier niet aan — wij zijn nog zoo ver niet — op ontheffing, maar op verzwaring eener bestaande belasting. Gaan wij aldus, Mijnheer de Voorzitter, wanneer wij een accijns van eene eerste levensbehoefte afnemen om dien gedeeltelijk te leggen op eene andere eerste levensbehoefte — gaan wij dan niet lijnrecht in tegen den weg, dien onze wetgeving zeer te recht heeft ingeslagen, en waarop zij, volgens dit wets-voorstel, eene groote schrede vooruit zal doen?

De beteekenis van dit artikel is, zooals ik de eer had te zeggen en zooals de Minister heeft erkend, een voorschrift te geven aan de Regeering. Welnu, wij zullen dus een voorschrift aan de Regeering geven bij dit artikel, om, zoo er voorziening noodig mocht zijn, ook het vleesch met hooger opcenten, dan nu geheven worden, te belasten. Dat voorschrift wensch ik niet te geven aan de Kegeering : ik wensch haar daartoe te minder te verplichten, omdat ik het voor hoogst waarschijnlijk houde, dat zij zelve, alvorens zoodanigen nieuwen last voor te dragen, zich, zoo men haar vrij hadde gelaten, ernstig zou bedenken.

Het geslacht is, onderstel ik, onder de middelen in dit artikel genoemd, omdat men het cijfer van het tekort wilde aanvullen: maar nu is men boven dat cijfer gekomen. De Minister van Finantiën denkt niet zwaar over de hulp, die wij voor het volgende jaar aan art. 2 zullen behoeven te vragen, en het tekort van het maximum der behoefte zal, wanneer de opcenten op het geslacht niet worden verhoogd, naar zijne berekening f 24,000 of f 25,000 bedragen. Mag men, om eene som van f 24,000 of f 25,000, die men naar alle waarschijnlijkheid niet behoeven zal, de Kegeering verplichten, om eene belasting, gelegd op eene eerste levensbehoefte, die, volgens de meening van den Minister en volgens de antecedenten onzer wetgeving, in het algemeen belang zal moeten worden ontlast, te verhoogen ? Ik weet wel, de Minister stelt zich slechts tijdelijke, voorbijgaande opcenten voor; hij stelt zich voor dat zij weldra zullen kunnen vervallen ; ik deel in de verwachting van den Minister; maai- wij mogen niet vergeten dat zoovele belastingen

Sluiten