Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

oorspronkelijk zijn opgelegd om niet te blijven, en dat zij niettemin zijn gebleven. Men erkent, dat men het vleesch, als eerste levensbehoefte, van alle belasting moet vrijstellen; maar die geheele vrijstelling maakt men moeilijker, indien de Regeering, bij het opmaken der begrooting, schoon dan wellicht haars ondanks, tot verhooging zal moeten besluiten.

Het amendement van den heer Th. werd met 43 tegen 22 stemmen aangenomen.

20 Juni. Hoofdstuk VIII der Staatsbegrooting (Marine) voor het dienstjaar 1855 (verg. hiervoor blz. 85.) Artikel 11, materiaal der zeemacht; aanbouw en onderhoud. De heer Dullert had een amendement ingediend, het artikel met één millioen te verminderen. Hij had daarbij gewezen, op hetgeen met de begrooting van oorlog was geschied: in April 1854 verhoogd „uit hoofde van buitengewone omstandigheden" (vergel. Dl. III blz. 405 vlgg.) was het verhoogde cijfer dier begrooting in December als het normale voorgesteld (vergel. hiervóór blz. 88.) Hij wenschte nu voorzichtiger te zijn.

Daarop was de minister van buitenlandsche zaken in het vuur gekomen. De minister van oorlog, zei hij, had altijd het verhoogde cijfer, met uitzondering van enkele posten,- als het normale aangegeven. In die stelling was hij steeds blijven volhouden. Daarenboven, meende de minister van buitenlandsche zaken, ging de vergelijking niet op. Nu was er sprake van volhouden van een stelsel. De minister van marine vroeg thans niet meer de uitspraak over een stelsel, doch slechts het vertrouwen der Kamer.

De voorlaatste spreker, de heer van Deinse, vreesde dat men hem zou beschuldigen van inkonsekwentie, zoo hij zich nu verklaarde voor deze ver-hoogde begrooting, daar hij gestemd had tegen de afschaffing van den accijns op het gemaal. Ik wensch die beschuldiging niet tegen hem te opperen, ik wensch noch van konsekwentie noch van inkonsekwentie te gewagen, zoo die geachte spreker toestemt - en ik geloof hij zal het doen — dat er een ongelooflijke afstand is tusschen vóór 6 maanden en nu. Vóór 6 maanden heette het roekeloos, aan afschaffing van den accijns op het gemaal te denken, bij eene begrooting voor Marine, die eenige millioenen lager is dan die waartoe men nu den .weg wil banen.

De Minister van Buitenlandsche Zaken heeft hetgeen met zeker wetsontwerp in het voorjaar van 1854 is voorgevallen, herinnerd. De afgevaardigde uit Maastricht had, zeide hij, een amendement voorgesteld '), maar de Minister van Oorlog zijne stelling niettemin steeds volgehouden. De Minister van Buitenlandsche Zaken is

') Zie Dl. III, 1853—1854, blz. 414.

Sluiten