Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voorwaarden, andere grenzen voor die bescherming ten aanzien van vreemdelingen dan ten aanzien der ingezetenen stellen? Zoo er reden is om, vooral in zulk een klein land als dit, die bescherming voor onze medeburgers uit te strekken over 20 jaren, bestaat er reden om hier eene bescherming van gelijken duur aan Iransche

schrijvers te verleenen?

Ik geloof, bij overweging zal men met mij van oordeel kunnen

zijn. dat de maat behoort te verschillen.

Ik zal op dit punt niet uitweiden. Men vergelijke den toestand onzer letterkunde met dien der Fransche. Bij dit traktaat is evenwel geen onderscheid in acht genomen. Intusschen laat de overeenkomst van 1840 te dezen aanzien volkomen vrij. De overeenkomst van 1840 zegt niet, dat dezelfde bescherming, die door onze wet aan den Nederlandschen schrijver en uitgever wordt geschonken, aan den Franschen uitgever zal worden toegekend. De overeenkomst gewaagt alleen van bescherming van weérskanten, réciproque ment.

Dit is mijn bezwaar tegen het beginsel zelf van het gesloten traktaat. Het komt mij voor, dat wij niet geroepen zijn om aan Fransche schrijvers en vooral niet aan Fransche uitgevers, wier belang liet veel meer nog dan dat der schrijvers geldt, een uitsluitend recht, een monopolie van gelijken omvang te schenken, als door onze wet te recht aan onze schrijvers en aan onze uitgevers kan zijn toegekend. Zoo dezen, op gronden aan de gesteldheid onzer letterkundige wereld ontleend, een waarborg voor twintig jaren behoeven, zou de Franschman, zonder onbillijkheid, b. \. me vijf jaren kunnen volstaan. Het is hier, dit kan niet genoeg worden herinnerd, om bescherming van bijzondere baten tegen een veel hooger algemeen belang te doen. En het ontgaat niemand. Mijnheer de Voorzitter, dat het schoonklinkend woord „proprie'té littéraire dienen moet om het schrijven om geld. of op speculatie, in de hand te werken.

22 Juni. Nader:

Indien de wijze van verdediging mij kon afschrikken om een voorstel dat ik goedkeurde aan te nemen, dan zou het de verdediging <*eweest zijn. die ik gisteren van den Minister van Buitenlandsche Zaken gehoord heb. De Minister heeft in zijne rede hier en daar en aan liet slot vermaningen gestrooid, waarvan de strekking w as, ons bang te maken voor Frankrijk. Maar dat, Mijnheer de Voorzitter, zal niet den minsten invloed hebben op mijne stemming, zal zoodanige woorden beschouwen als niet gesproken.

Internationale propriété littéraire — internationaal kopierecht, zooals de geachte spreker uit Delft het noemde is sedert eenige jaren een mode-artikel in de diplomatie, hetgeen ik wil aannemen

Sluiten