Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZITTING 1855-1856.

24 September. Beraadslaoino over het adres van antwoord op de troonrede. Algemeene strekking.

Het komt mij voor, Mijnheer de Voorzitter, dat het stelsel van de Commissie van redactie een weerklank van de troonrede bedoelt. Ik heb tegen dat stelsel onder de tegenwoordige omstandigheden in het algemeen geene bedenking. Het voornaam vereischte van zoodanig opstel is dat de weerklank edel en krachtig zij. Het schijnt mij toe dat het oorspronkelijk opstel, na de aanmerkingen in de afdeelingen, eenigszins verbeterd is. Doch, al heb ik voor dit oogenblik geene bedenking in het algemeen tegen dat stelsel, de woorden der troonrede na te volgen, geloof ik evenwel, dat men zich hier en daar eene afwijking had mogen en wellicht had moeten veroorloven. Op sommige punten. Mijnheer de Voorzitter, had het adres een zelfstandig adres behooren te zijn. Met voorbijgang van minder gewichtige opmerkingen zal ik vier hoofdpunten aanstippen.

Vooreerst § 5. Daar wordt gezegd, dat Nederland groot gewicht hecht aan den bloei zijner koloniën en overzeesche bezittingen, en dat het dus aan de Ivamer tot genoegen strekt, van den Koning te vernemen, dat vrede en rust aldaar heerschen. Ik zou gewenscht hebben, Mijnheer de Voorzitter, dat de Commissie hadde kunnen goedvinden, daarbij ons verlangen uit te drukken naar ijverige tenuitvoerlegging van het nieuwe regeeringsreglement in een geest, die eene krachtige ontwikkeling van die gewesten alleszins begunstige.

Een tweede punt, dat ik als voorbeeld bijbreng, betreft § 7. Ten aanzien van die paragraaf geldt, meen ik, hetgeen ik de vrijheid nam in het begin als mijn gevoelen te zeggen, dat het tegenwoordige opstel verbeterd is. Inzonderheid het slot der zinsnede : „omdat hierdoor ons het verblijdend uitzicht wordt geopend op de spoedige indiening eener wet, die zal kunnen leiden tot afschaffing der slavernij allerwegen in die bezittingen". Hier wordt althans afschaffing der slavernij in ronde woorden gevraagd. Ik voor mij had de vermelding der Staatscommissie, die buiten toedoen der Kamer is benoemd, liefst gemist, omdat ik niet gaarne inthorbecke, Parlementaire redevoeringen, 1855—1856. 16

Sluiten