Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den heer Bots voor kennisgeving aannemen. Daarentegen meende de heer van Kappard, dat de kamer eene beslissing nemen moest, waartoe hij voorstelde, den brief van den heer Bots aan den minister van binnenlandsche zaken te verzenden. De heeren van Eek en van Nispen tot Sevenaer achtten evenwel eene meer stellige uitspraak der kamer noodzakelijk : „dat de heer Bots, door de aanneming van zijne herbenoeming als kantonrechter, heeft opgehouden lid der kamer te zijn".

Mijnheer de Voorzitter, ik neem de vrijheid voor te stellen dat gij goedvondt, nadat gestemd zal zijn over de reeds aanhangige voorstellen en zij mochten zijn verworpen, de vraag aan de Kamer te onderwerpen: of de Kamer in den brief van den heer Bots grond vindt om de kennisgeving volgens art. 112 der kieswet aan den Minister van Binnenlandsche Zaken te doen.

Aan den heer van Eek was de strekking van het voorstel niet duidelijk. Bedoelde het aan den minister de kennisgeving te doen, dat de kamer van oordeel was, dat de heer Bots opgehouden had lid te zijn? Of wilde het alleen aan den minister kennis geven, dat de heer Bots aan de kamer mededeeling van zijne herbenoeming tot kantonrechter had gedaan ? Doch in het laatste geval was artikel 112 der kieswet niet van toepassing.

De aanmerking, door den geachten spreker uit Zeeland (den heer van Eek) op de aanhaling van art. 112 der kieswet gemaakt, schijnt mij onjuist. Hij heeft zich vergist toen hij zeide, dat art. 112 alleen het geval, wanneer een lid der Kamer zijn ontslag nam, betrof; het artikel zegt, zoo ik wel lees, dat art. 97. hetwelk spreekt van het geval dat wij nu behandelen, met betrekking tot leden van de Eerste Kamer, van toepassing is op de leden der Tweede Kamer.

Ik heb de vrijheid genomen voor te stellen, dat — zoo het in omvraag brengen van mijn voorstel niet .uitgesloten wordt door de aanneming van een der reeds aanhangige voorstellen — de vraag aan de Kamer worde onderworpen, of zij in den brief van den heer Bots grond vindt om de kennisgeving volgens art. 112 der kieswet aan den Minister te doen. Ik heb dat voorstel gedaan, dewijl het mijns inziens geenszins op hetzelfde nederkomt als het voorstel door den geachten spreker uit Arnhem (den heer van Rappard) of dat van den geachten spreker uit Zeeland. Men kan van gevoelen zijn, — en het is mij voorgekomen dat in dit gevoelen door sommige leden wordt gedeeld — dat de Kamer, om te komen tot zoodanige beslissing als welke het geachte lid uit Zeeland dooide Kamer wenscht genomen te zien, eene andere aanleiding moet hebben dan eene mededeeling, gelijk die welke wij van den heer Bots ontvingen. Had hij geschreven : Ik heb opgehouden lid deiKamer te zijn omdat ik de herbenoeming tot een bezoldigd staats-

Sluiten