Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schrijving; heeft toegelaten en moest toelaten. Zoo dien ten gevolge, bij dat Ministerie, meer overschrijvingen dan bij de andere voorkomen, ligt dit in den natuurlijken loop der zaken

Maar het beweren der Commissie, dat op geen van de hoofdstukken der Staatsbegrooting zooveel overschrijvingen hebben plaats gevonden als op dit hoofdstuk, is onjuist. De overschrijvingen van dat departement bedroegen f 36,608 van de f80,000.

Nu vergelijke men vooreerst hoofdstuk II. De f 9000 voor onvoorziene uitgaven, op dat hoofdstuk geraamd, werden door overschrijving teruggebracht tot f 186.

Bij het lilde hoofdstuk zijn de f 10.000 voor onvoorziene uitgaven door overschrijving verminderd tot f 1016, nagenoeg een tiende. Bij Bmnenlandsche Zaken werd nog niet de helft overgeschreven.

Bij de hoofdstukken VI en VII is hetgeen toegestaan was voor onvoorziene behoeften geheel overgeschreven.

In hoofdstuk VIII werden f 55,850 van de f 75,562 overgeschreven. Hoofdstuk IX B had voor onvoorziene uitgaven f 25 000 en vertoont daarvan ongeveer f 12.000, overgeschreven.

Eindelijk vind ik in hoofdstuk X (Oorlog) den post van f79,821 \ooi onvoorziene behoeften door overschrijving tot f 22 204 verminderd.

Derhalve is bij al die hoofdstukken meer overgeschreven dan bij Bmnenlandsche Zaken. En zoo in de oogen van de Commissie

?1Jonnin'e °pme,'klnfcr verdient' dat voor den dienst van 1852 van f 80,000 eene som van f 36,608 werd overgeschreven, wat zal die Commissie zeggen wanneer zij ziet dat bij Binnenlandsche ^aken in 1853 zijn overgeschreven niet f 36,608, maar f50 778 en dat het overige, tot den laatsten cent toe, voor andere posten is gebruikt ? Wat van het besteden der gelden bij datzelfde departement in 1854, toen de overschrijvingen f 50,569 beliepen, en van den geheelen post van f80,000 slechts f 101.04* onbeschikt bleven f De Commissie noemt overschrijvingen „afwijkingen van de begrotingswet . Mij dunkt, Mijnheer de Voorzitter, het is onmogelijk die uitdrukking te gebruiken, zoodanig oordeel uit te spreken wanneer men zich de tegenwoordige inrichting onzer begrootingswetten duidelijk voorstelt. In die wetten zelve is eene zekere som voor onvoorziene behoeften uitgetrokken; onvoorziene behoeften van tweeerlei soort: zoowel betrekkelijk tot posten, in de begrooting ze\e leeds geraamd, als tot onderwerpen, waarop bij geen der geraamde posten is gerekend. De wetgever, zoodanige som voor behoeften der eerste soort toestaande, wil, dat daarvan gebruik worde gemaakt wanneer eene uitgave, die een begrooten post te boven gaat, even noodig is in het algemeen belang als die, waarin Di] dien post reeds was voorzien.

Sluiten