Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Derhalve kan er bij beoordeeling eener overschrijving, dunkt mij, slechts tweëerlei vraag opkomen : vooreerst, is overgeschreven op een post waarop overschrijving is toegelaten; ten andere, is er overgeschreven voor eene onvoorziene uitgave, niet mindei noodzakelijk dan de behoefte, waarvoor de begroote post werd uitgetrokken? Zoo men overschrijft onder die twee voorwaarden, dan is het geene afwijking, maar ware uitvoering van de wet der begrooting. De wijze van zien der Commissie zou daar kunnen gelden, waar men een post voor niet-geraamde uitgaven als eene afzonderlijke toelage, buiten rechtstreeksch verband met de begrooting. beschouwt. Onze som voor onvoorziene behoeften is geen post waarover men willekeurig mag beschikken, om er mede te spelen, om dezen of genen dienst te doen; en evenmin eene som die men, bij behoorlijke overschrijving, aan de bestemming, waaitoe zij werd ingewilligd, onttrekt.

„Van de onvoorziene uitgaven" zegt de Commissie, „ad f80,000, eene som van f 36,608.54' gebruikt zijnde tot overschrijving op andere posten, zoo bleef hiervoor voor onvoorziene uitgaven beschikbaar eene som van f 43,391." Is ook bij het nederschrijven dier opmerking het stelsel onzer begrooting wel helder voor den geest geweest ? De Commissie onderscheidt tusschen „overschrijving en „onvoorzien" ; maar hetgeen overgeschreven wordt moet evenzeer zijn onvoorzien. Het verschil bestaat eenvoudig lueiin, d,it in liet eene geval de onvoorziene uitgaaf geschiedt voor een post die in de begrooting voorkomt, en in het ander de post zelf niet voorzien is. Had men de overgeschrevene uitgaaf kunnen voorzien, dan is öf de beschikking, óf was de raming onjuist.

Ik kome tot de „nadere toelichtingen, welke de Commissie wenschelijk acht". Mijnheer de Voorzitter, die toelichtingen zijn in het openbaar gegeven, zij zijn gedrukt of ze volgen uit eene ecn\oudige vergelijking van insgelijks openbaar gemaakte cijfers. Ik ieken het mij tot eer, dat ik. in het Departement van Binnenlandsche Zaken getreden, bij de eerste begrooting, die ik geheel in mijne hand had, daar het stelsel van toelichting, van verklaring, niet alleen van de raming, maar van de gedane uitgaven op den voet heb gebracht die bij Binnenlandsche Zaken op dit oogenblik nog betracht wordt. Om de verandering te waardeeren. gelieve men slechts de vorige „staten van berekening , of zelfs de staten van 1849, nog alleen voor de leden gedrukt, te vergelijken met de uitgewerkte en toelichtende staten sedert dien tijd, te beginnen met de begrooting voor 1851. Ik mag herinneren, dat men in deze staten de artikelen ontleed vindt, niet enkel wat de raming vooi het aanstaande, maar ook wat de uitgaven van het voorlaatste dienstjaar betreft.

Had de Commissie goedgevonden die staten te raadplegen, ik

Sluiten