is toegevoegd aan je favorieten.

De onuitgegeven parlementaire redevoeringen van Mr. J. R. Thorbecke

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van de uitkomsten der tienjarige volkstelling en statistiek." Die post was voor 1852, gelijk voor 1851, geraamd op f 2600 ; maar het drukken en uitgeven van de statistieke bijdragen en tabellen der volkstelling was in 1851 niet zoo snel gevorderd, als men zich voor dat jaar had voorgesteld; zoodat men toen slechts f 916 had uitgegeven ; nu haalde men in het volgende jaar in wat men in liet vorige ten achter was gebleven, en nu was het noodzakelijk door overschrijving te voorzien.

Eindelijk art. 136: „Kosten van onderhoud, huishoudelijke uitgaven en aankoopen, kabinetten van archaeologie en van penningen en munten te Leiden: Het artikel was voor 1852 geraamd op f 4340; daarop werden f 1476 overgeschreven. Waarom ? De toelichting in 1854 bij de begrooting van het Ministerie van Binnenlandsche Zaken gevoegd, antwoordt dat in 1852 buitengewone uitgaven noodig zijn geweest voor het maken van kosten voor het archaeologisch kabinet.

Ziedaar de inlichtingen die in het openbaar gegeven en gedrukt zijn: inlichtingen welke ik zou gewenscht hebben door de Commissie te zien raadplegen. Voldoen zij aan de Commissie of aan de leden der Kamer niet, men vrage mededeeling der correspondentiën, welke die beschikkingen tot overschrijving bij Binnenlandsche Zaken zijn voorafgegaan, en men zal — ik ben er van overtuigd — vinden dat ik, hoe bereid steeds om uitgaven, ook groote uitgaven, in het algemeen belang op mijne verantwoording te nemen, bij twijfel of eene uitgave wel noodzakelijk was, de meest ongemakkelijke aller Ministers ben geweest, doordrongen van het besef dat de Minister niet beschikt over zijne beurs, maar over hem toevertrouwd geld, toevertrouwd om het ten behoeve van den publieken dienst met de uiterste nauwgezetheid te besteden.

Ik lees aan het slot van het Verslag: „Reeds bij de verschillende hoofdstukken werden door uwe Commissie vermeld de inlichtingen, die zij zou verlangd hebben; zij voegt er bij, dat gelijke inlichtingen hoogst wenschelijk zouden zijn ten aanzien \ an al de posten, welke in meerder of minder belangrijk van de begrootingswetten afwijken ; voorts ten aanzien van die jaarlijks terugkeerende uitgaven, die meer of minder dan in vorige jaren bedragen; terwijl het eindelijk van belang zoude zijn, mede een overzicht te ontvangen van belangrijke werken, die mochten zijn daargesteld, als daar zijn : nieuwe gevangenissen, nieuwe waterstaatswerken" enz. Ik meen geantwoord te hebben op de twee eerste punten van het hier herhaalde verlangen, voor zooverre betreft het bestuur van Binnenlandsche Zaken in 1852. Wat liet derde punt aangaat, daaraan is insgelijks voldaan. De vorige Minister van Binnenlandsche Zaken heeft een overzicht uitgegeven van de publieke werken in 1850 tot 1853. Daardoor is, voor dien