Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de bewoordingen op, dat zij inlichtingen verlangde op bepaalde punten, die zij aanwees; in de nieening dat die inlichtingen nog niet bestonden. Hetgeen de Commissie nu wil gezegd hebben, betreft den vorm, niet de zaak; want bestonden die inlichtingen, dan behoefde men ze niet te vragen; het verlangen dat de Commissie, volgens de tegenwoordige uitlegging van haren spreker, wil te kennen hebben gegeven, is, dat die inlichtingen hare plaats hadden gevonden in deze Staatsrekening.

Ik zal niet behoeven te herinneren. Mijnheer de Voorzitter, dat sedert 1850 door onderscheidene departementen van bestuur te gemoet is gekomen in hetgeen de Commissie — zoo mij voorkomt en zooals ook den spreker uit Rotterdam voorgekomen is — te recht verlangt, namelijk eene volledige verantwoording. In afwachting eener volle uitvoering van art. 122 der Grondwet, is daaraan te gemoet gekomen op de wijze, die ik in eene vorige vergadering heb aangeduid. Wij hebben telkens bij de begrooting, bij de vergelijking van de nieuw geraamde posten met de uitgaven in het laatstvorige jaar gedaan, de besteding der toen ingewilligde gelden verklaard. Dat is al hetgeen, zoo mij voorkomt, het Gouvernement tot dusver heeft kunnen doen, en waarbij dan ook de inlichtingen, welke de Commissie heeft verlangd, zijn gegeven.

Het tweede punt betreft de wijze van zien omtrent de overschrijvingen. Ik moet de vrijheid nemen, Mijnheer de Voorzitter, ook nu nog, na den uitleg, door den geachten spreker aan zijne meening gegeven, van hem te verschillen. Hij heeft herinnerd dat vroeger overschrijvingen verboden waren, en daarmede ongevoelig de overschrijvingen van ons tegenwoordig stelsel in verband gebracht. Maar hij heeft, dunkt mij. over het hoofd gezien, en wil ons over het hoofd doen zien. dat de overschrijvingen, waarvan toen sprake was, geheel en al verschillen van die, waarvan thans alleen sprake kan zijn. Toen ter tijd gold het overschrijving van een geraamden post op een anderen, van gelden, die eene bepaalde bestemming hadden, op een post, tot andere uitgaven bestemd. Doch wat geldt het nu ? Nu geldt het een post, die alleen en uitsluitend voor onvoorziene uitgaven op de begrooting is gebracht, en die post is een deel van de begrootingswet zelve. Dus is het niet eene afwijking van de begrootingswet. maar men voert de begrooting uit naar den wil van den wetgever, wanneer men uit den post, die uitsluitend voor onvoorziene uitgaven is toegekend, overschrijft waar eene behoefte, hetzij wat het cijfer, hetzij wat een onderwerp van uitgaven betreft, niet voorzien was, en evenwel in den loop van het dienstjaar noodzakelijk voorziening vordert.

Het derde punt zijn de cijfers. Volgens den geachten spreker, heeft men in het verslag, van de overschrijvingen sprekende, niet op het bedrag maar op het getal gelet; en dat is, zegt hij, bij

thorbecke, Parlementaire redevoeringen, 1855—1856. 17

Sluiten