Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Men heeft bij de Memorie van Beantwoording de begrootingen voor de jaren 1850 en 1853 als grondslagen van vergelijking met de begrootingen van volgende jaren genomen. Ik geloof ten onrechte. Ik erken, de Memorie van Beantwoording heeft dat gedaan op het voetspoor van het Verslag; maar ik geloof dat de twee termen van vergelijking niet aan elkander beantwoorden. De begrooting voor 1850 was nog geheel opgemaakt onder den indruk, dat men veel moest opofferen aan het herstel onzer toen vervallen linantiën. Men moest den dienst inkrimpen binnen de grens der behoefte. Maar de begrooting voor 1853 had reeds de eischen van een welingerichten, krachtigen dienst doen gelden.

Het komt mij dus voor, dat men, wanneer men vergelijken i\ril. — en ik zeg. ik zou in die vergelijking niet treden, zoo ik er niet toe verplicht was door het antwoord der Regeering, — de begrootingen voor 1851, 1852 en 1853 dient samen te vatten, en die voor 1854, 1855 en 1856 daar tegenover te plaatsen.

Wanneer men nu het middencijfer dier twee groepen neemt, welke is de uitkomst? Met begrootingen bedoel ik die, waarvan alleen, dunkt mij, bij dergelijke vergelijking met juistheid sprake kan zijn, de oorspronkelijke begrootingen, dat wil zeggen, de begrootingen, zooals zij in het jaar aan het dienstjaar voorafgaande, zijn vastgesteld. Deze toch bevatten de uitgaven, die men voor dat jaar voorzag.

Welnu, wanneer ik nu het middencijfer van elk der eerstgenoemde driejarige tijdvakken neem, wat vind ik dan ? Eene uitkomst, geloof ik. die niemand zal kunnen tegenspreken, tenzij ik mij mocht hebben verrekend en bij eene zoo eenvoudige berekening is dit nauwelijks te vermoeden. Het middencijfer der oorspronkelijke ramingen voor de jaren 1854, 1855 en 1856 gaat dat van de drie vorige te boven met bijkans zeven tonnen gouds.

Ik vraag, of zoo wij aldus met verhoogen eene reeks van jaren, stel slechts tien, voortgaan, de begrooting van Binnenlandsche Zaken niet onze krachten, hoe die ook mogen toenemen, zal overtreffen ?

Ik leide hieruit af, dat van onze zijde zuinigheid mag worden aangedrongen, zuinigheid en in het vragen en in het besteden van middelen. Te meer daar zuinigheid niet is in onze administratieve gewoonten. Ik spreek niet van dit, noch van eenig voorafgaand bestuur in het bijzonder, ik spreek niet van het staatsbestuur uitsluitend, maar van onze administratieve gewoonten in het algemeen. Bij ons is zuinigheid niet juist daar — ik spreek van den regel — te vinden waar geadministreerd wordt uit de beurs van een ander. Wij zijn verplicht, — ook de Regeering. en zij zal volgens haar inzien dien plicht betrachten — maar wij vooral, geloof ik, zijn geroepen iedere uitgaaf te vergelijken niet alleen met hetgeen

Sluiten