Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

daarvoor pleit, maar met den geheelen last. die op de ingezetenen wordt gelegd. Wij zouden daartoe verplicht zijn ook wanneer wij het meest gewenschte, het meest volkomene stelsel van belastingen hadden. Maar wanneer wij moeten erkennen een gebrekkig systeem van belastingen te hebben, dan, geloof ik, drukt die verplichting dubbel. En zoo wij de noodzakelijkheid, de verplichting inzien, niet om overhaast, met verwarring van 's lands finantiën, maar gestadig op den weg, dien wij betreden hebben, op den weg van hervorming van ons belastingwezen, voort te gaan, mag inzonderheid voor de jaren van overgang zuinigheid worden aanbevolen. Daarenboven wachten ons op het hoofdstuk van Binnenlandsche Zaken nog nieuwe uitgaven, die niemand zal kunnen keeren en niemand zal kunnen weigeren. Zuinigheid, Mijnheer de Voorzitter, is. dunkt mij, evenzeer plicht van een rijk als van een arm gouvernement. Het is een regeeringsregel van alle dagen en van alle jaren, niet alleen geschreven voor jaren van nood, maar evenzeer voor jaren van voorspoed, ofschoon hij in de laatste moeilijkei te betrachten moge zijn.

Het tweede punt betreft de bezoldiging der ambtenaren. Ik heb daarover in den loop dezer discussie meer dan eens hooren spreken. Men heeft zich, en te recht, bewogen verklaard met het lot van zoovele ambtenaren, die tegenwoordig, onder den druk der tijden, niet wel leven kunnen van hunne bezoldiging. Het is mij voorgekomen, dat onderscheidene leden en ook de Regeering niet ongenegen waren in die behoefte tegemoet te komen, zoo niet op het oogenblik, dan toch. indien de behoefte bleef bestaan, na eenigen tijd.

Men heeft de zaak beschouwd van ééne zijde; ik geloof toch dat ze ook overweging verdient van den anderen kant. Ik stel ter zijde die klasse van ambtenaren, voor welke men in den regel niet andere menschen zal vinden, dan die uitsluitend of nagenoeg alleen van hunne bezoldiging moeten leven. Maar laat men die klasse daar, om hooger op te klimmen, dan mag men, dunkt mij, vragen of men tot regel der bezoldigingen zal stellen, dat den ambtenaar in zijne wedde een genoegzaam bestaan, zoodat hij geene andere middelen behoeft, moet worden geschonken. Ik twijfel, Mijnheei de Voorzitter, of ik dien regel zou durven aannemen, en toch is het mij voorgekomen, dat het pleidooi ten gunste van de ambtenaren door sommigen gevoerd, op dien grondslag berustte. Ik geloof dat zeer te recht gezegd is, dat geen ambtenaar tot dusver in dien toestand zich bevindt en of men hem dien zou kunnen bezorgen, zou men ook in het belang van de schatkist nog wel eens nauwkeurig mogen overleggen.

Er komt eene andere bedenking bij en ik waag ook die aan de overweging van de Vergadering te onderwerpen. Tot dusverre, zoo ik mij niet bedrieg, is, zoodra een post openvalt, de mede-

Sluiten