Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

\ ooreerst meende de spreker uit Arnhem, dat ik eene afzonderlijke wet voor onderscheidene werken gevraagd had: daartegen heeft hij overgesteld, hetgeen ik in eene vroegere betrekking beweerd had tegen hen. die meenden, dat de uitgaven voor de geheele rivierverbetering in eene afzonderlijke wet konden worden opgenomen. Hetgeen ik verlangde en blijf verlangen, is, dat de uitgaven voor de sluizen te Dalem het onderwerp worden van eene afzonderlijke beraadslaging; dat de Regeering daartoe aanleiding geve door een afzonderlijk ontwerp van wet. Ik heb dat verlangen geuit in overeenstemming met de voordrachten van gelijke strekking, bij afzonderlijke ontwerpen, gedaan zoowel onder deze als onder de vorige Regeering. Wat de sluizen te Dalem betreft, de toelichting laat zeer veel te wenschen over; en het onderzoek van zoodanig werk, dat zich over verscheidene jaren uitstrekt, kan te midden van het onderzoek der begrooting niet behoorlijk plaats vinden.

Ik had aangemerkt, dat de verplichting van het Gouvernement om hetzij zelf werken van algemeen nut te ondernemen, hetzij partikulieren of vereenigingen tot het ondernemen van zoodanige werken in staat te stellen, beperkt was door den regel, dat het Gouvernement niet moest doen, hetgeen door partikulieren of vereenigingen gedaan kan worden. Bij die gelegenheid zeide ik. geloof ik, ook. dat de grootste werken van algemeen nut in onzen tijd waren gesticht door vereenigingen van partikulieren. De spreker wil, dat ik te dien aanzien België tot model heb gesteld. Ik heb van België geheel niet gewaagd: maar ik had het oog op de groote wei ken in Engeland, in Duitschland, in Noord-Amerika en zelfs voor een deel in Frankrijk.

Ik volg nu. Mijnheer de Voorzitter, de sprekers, die gisteren en heden het woord tegen mij voerden, op de twee punten, die ik de eer had aan de Vergadering voor te stellen ; de gestadige verhooging der uitgaven ; en de bezoldiging der ambtenaren.

De bezoldiging der ambtenaren. Daarover bestreed mij gisteren de spreker uit Zutfen (de heer Schimmelpenninck van der Oije). Ik moet erkennen, zijne rede heeft op mij den indruk gemaakt alsof hij mij aangehoord had met het opzet om mij tegen te spreken wat ik ook zeide. Men had zich tot dusverre, in den loop dezer discussie, over die bezoldigingen uitgelaten in ée'nen zin, in éénen geest. Ik had daar tegenover de redenen geplaatst, die mij voorkwamen bij de overweging der vraag van eenen anderen kant in aanmerking te moeten worden genomen. Ik vroeg inzonderheid: Moet het do regel zijn, dat de bezoldiging geheel voorzie in de behoeften van den ambtenaar en zijn gezin ? Daarop antwoordt nu de spreker uit Zutfen : „Is de werkman zijn loon niet waard ?" Heeft die spreuk, Mijnheer de Voorzitter, de beteekenis, dat de zoo even genoemde regel moet gelden? Ik dacht — en dat denk ik

Sluiten