Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dat het vorig Gouvernement gecentraliseerd heeft, spreek ik niet tegen; maar ik zie ook niet. op welken grond de geachte spreker, voorstander van het systeem van eenheid van bestuur, de centralisatie aanvalt. Ik versta onder centralisatie de vestiging van de macht die de wet van het geheel in betrekking tot de deelen handhaaft. Dat is geschied door de wetten, dat is geschied dooide handelingen van het vorig Gouvernement. Mijns inziens is eenheid zonder zelfstandigheid van de leden of deelen despotisme, en is zelfstandigheid der deelen zonder eenheid regeeringloosheid. Ik meen dat de spreker die beginselen èn in de wetten èn in de handelingen van het Gouvernement hetgeen hij bestrijdt, hetgeen hij niet ophoudt te bestrijden, overal zal wedervinden. De spreker heeft bedenking tegen de orgciniseerende werkzaamheid ook aan eene andere zijde dezer Vergadering veroordeeld — van het vorig Gouvernement. Waarom? Wat is organiseeren? Niets anders, dunkt mij, dan de betrekking tusschen het geheel en de deelen, en de betrekking tusschen de deelen onderling regelen. Dat is geschied volgens de beginselen, die ik zooeven noemde. Zoo ik nu herdenk, dat de geachte spreker ons bij de algemeene beschouwingen over de geschiedenis van ons staatsrecht een betoog heeft geleverd, waarbij hij onze grondwettelijke monarchie onmiddellijk afleidde uit de souvereiniteit van Willem I van Oranje; zoo ik herdenk hetgeen hij ons toen van de rampen heeft verhaald, waaronder de oude Republiek leed, hetzij met Oranje, hetzij in een stadhouderlozen tijd; zoo ik mij herinner, hoe de spreker ons geluk wenschte met de in onzen tijd eindelijk herstelde, zoolang verlorene eenheid, — dan zou ik gelooven, dat bij nader inzien, bij terzijdestelling van vooroordeel en partijzucht, over centralisatie, over organisatie, over hetgeen de Staat in het algemeen belang te doen heeft, tusschen den spreker en mij nauwelijks eenig merkbaar verschil bestaan kon.

Nu kwam de heer van Lennep in verzet tegen hetgeen de heer Th. gesproken had over de bezoldiging der ambtenaren. Hetgeen de heer Th. had aangevoerd, meende hij, zou gevaarlijk zijn, zoo de toepassing ervan werd beproefd. Werden de traktementen der ambtenaren verminderd, ja, men zou nog sollicitanten genoeg hebben, maar de geschikte, bekwame mannen zouden daaronder niet worden

aangetroffen. r,

De heer Schimmelpenninck van der Oije was blijkbaar gegriefd door de beschuldiging, dat hij zich een onbetamelijk woord zou hebben laten ontvallen. Dat was hem slechts eens overkomen, eenige jaren geleden, en toen was hij door den heer Th. voor „hofambtenaar uitgemaakt.

Mijnheer de Voorzitter, een paar opmerkingen. Ik zal geen misbruik maken van het verlof, dat de Kamer mij heeft verleend.

De spreker uit Arnhem (de heer Mackay) is teruggekomen op

Sluiten