Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En in zooverre wensch ik mij daarmede geluk. Voor het overige behoef ik den spreker uit Steenwijk nauwelijks te zeggen, dat de gevolgen, die hij afleidt uit sommige van mijne bedenkingen, niet in die bedenkirgen lagen; dat ik bijv. van mededinging sprekende, niet bedoeld heb dat men de ambten aan den minst vragende moest opdragen. Wat heb ik gedaan? Ik heb voorop gesteld, dat men onderscheid moet maken tusschen de ambtenaren: en ten aanzien van de hoogere ambtenaren beweerd hetgeen meermalen in den loop van deze discussie erkend werd: er is hier te lande geen ambtenaar. die uitsluitend leven kan van zijne bezoldiging. Zal men dit evenwel, vroeg ik, tot regel der bezoldigingen voor het vervolg vestigen ? Het kwam mij voor dat dit ondersteld wierd in sommige vertoogen, die wij hoorden. Over dien regel, heb ik gezegd, moest men zich nog eens bedenken eer men hem tot grondslag nam. Ik ben niet verder gegaan: ik heb niets beslist; ik heb slechts een blik op de keerzijde geworpen. Ik heb gezegd hetgeen mij voorkwam ook in overweging te moeten worden genomen, wanneer men zulk een belangrijk vraagstuk aan de orde bracht. Ik heb mijne meening verklaard, dat het zoo aankwam op eene verbetering van het lot van zoo vele inderdaad gedrukte ambtenaren, dan wellicht eene tijdelijke voorziening de voorkeur verdiende boven eene algemeene herziening der bezoldigingen. Ik geloof dus niet, dat ik aanleiding heb gegeven tot zoo menig misverstand als ik tot mijn leedwezen bij sommigen van mijne tegensprekers ontmoette.

De afgevaardigde uit Zutfen (de heer Schimmelpennick van der Oije) heeft eene vroegere, eenige jaren oude, discussie aangehaald waarvan ik mij enkel de algemeene omtrekken herinner. Zoo de spreker meent, dat men hier in deze Kamer aan een hofambtenaar — ik weet niet of het ooit gebeurd is, ik geloof in allen geval niet. dat het althans van mijne zijde kan gebeurd zijn — aan een hofambtenaar die hoedanigheid niet mag tegenwerpen, ik denk elk zal hem gelijk geven. En hij zal mij gelijk moeten geven, wanneer ik er de voorwaarde bijvoeg: mits de hofambtenaar die hoedanigheid niet met de hoedanigheid van volksvertegenwoordiger verwarre.

De spreker is teruggekomen op het betoog dat hij uit de begrootingen van 1844 en 1845 zou kunnen ontleenen; begrootingen, zooals hij ons verzekert, minder hoog dan die voor het Departement van Binnenlandsche Zaken sedert zijn voorgesteld. „Evenwel heb ik niet geschroomd," zegt de spreker, „uitgaven voor publieke werken te doen daar waar zij in het algemeen belang mij voorkwamen te worden gevorderd." Hij noemde de droogmaking van het Haarlemmermeer en den steenweg van Maastricht naar Nijmegen. Ik denk niet dat hij vergeten heeft, dat voor die beide ondernemingen afzonderlijke geldleeningen zijn aangegaan. Daar wij nu waren aan het vergelijken van jaarlijksche begrootingen, kan het

thorbecke, Parlementaire redevoeringen, 1854—1855. 18

Sluiten