Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bezwaren, waarvan ik spreken wil, zijn van tweederlei aard. De eerste klasse van bezwaren betreft de belemmeringen der scheepvaart op de Maas, op de Zuidwillemsvaart en op het zoogenaamde canal latéral of dat van Maastricht naar Luik, ten gevolge van maatregelen, door de Belgische regeering genomen. De tweede klasse raakt de Zuidwillemsvaart inzonderheid, in zooverre die jaarlijks met een zeker doel, waarvan ik straks spreken zal, gesloten wordt.

I. Toen het traktaat van 1839 gesloten werd en in de volgende jaren, toen men de verdragen met België aanging, welke de beginselen, bij het traktaat van 1839 ten gronde gelegd, moesten ontwikkelen, dacht men niet aan hetgeen sedert is gebeurd. Sedert heeft men namelijk in de streken van België langs onze wateren, die aan onze scheepvaart moeten dienen, besproeiingen, irrigatiën, op groote schaal aangelegd. De Belgische regeering heeft over dat onderwerp eene wet voorgesteld, die verleden zomer — het is de wet van 20 Juni 1855 — is aangenomen. Ten gevolge van die wet heeft de Koning van dat land het politie-reglement van 25 Juni dezes jaars voor de irrigatiën vastgesteld. Wat gebeurt nu ? Men stelle zich die irrigatiën niet voor naar een maatstaf van de onze ontleend. De besproeiingen in de Belgische Kempen strekken zich over een grooten omvang uit. Men begroot tegenwoordig dat gebied reeds op 15,000 bunders, en men acht het niet onwaarschijnlijk, dat het na eenigen tijd zal zijn verdubbeld. Hoe verkrijgt men nu de daartoe noodige hoeveelheid water ? Men heeft te dien einde kanalen gegraven, die van de Zuidwillemsvaart rechtstreeks en over Turnhout naar Antwerpen voeren. Uit die kanalen heeft men wederom andere afgeleid. Men tapt uit de Zuidwillemsvaart en die kanalen, alle door Maaswater gevoed, en men doet dat op zóó groote schaal dat men het voor de scheepvaart onmisbare water aan de Maas onttrekt. Een ander gevolg, dat voor de Zuidwillemsvaart, gelijk voor het kanaal van Maastricht naai- Luik, daaruit ontstaat, is eene zoo versnelde strooming dat de afvaart voor de menigvuldige schepen, welke die kanalen bevaren, moeilijker wordt, daar zij, lastiger te besturen, licht schade lijden of aan de sluizen toebrengen, en voor de opvaart de kosten, om schepen naar boven te trekken, zeer vergroot worden.

De vraag is nu : mogen de maatregelen, door de Belgische regeering in het voordeel van den Belgischen landbouw begunstigd of genomen, de nadeelige gevolgen hebben, welke daaruit voor onze scheepvaart worden ondervonden? De Maas is een van de groote aderen van ons verkeer ook met het buitenland. Door de Zuidwillemsvaart zijn Maastricht en Luik met den Bosch en onze meer noordelijke provinciën is verband.

Wat zeggen nu de traktaten ? Ik behoef niet te herinneren, dat

Sluiten