Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Die was vroeger doorgaans, zoo niet uitsluitend, het Latijn. Doch de meeste colleges worden nu, zoo ik mij niet bedrieg, in de moedertaal gegeven, zoodat ook die grond voor het zoogenaamde staats-examen niet meer in zijne vroegere kracht bestaat.

Met één woord, mochten onze academiën bij eene toekomstige ïegeling meer naderen tot hetgeen de hoogescholen zijn in andere landen — en die zullen, naar ik geloof, door de voorstanders van het staats-examen niet geacht worden op een lageren trap, dan de onze, te staan — voor dat geval moet, geloof ik. de vraag over dat examen open blijven, daar zij dan waarschijnlijk in een ontkennenden zin zal worden beslist. Door den wetgever mag dus, dunkt mij. ten aanzien van dit punt niets worden gepraejudiceerd.

De heer Mackay vroeg, of dan vroeger bij het verlaten der gymnasia geen examen van de jongelieden werd afgenomen? Of, zoo zij niet aan een gymnasium hadden gestudeerd, een speciaal examen behoorden af te leggen, om tot de hoogesohool te worden toegelaten ?

Ik laat hetgeen de vorige spreker in de tweede plaats heeft behandeld onaangeroei'd. Ik wil daarover enkel opmerken, dat ik, het overige daargelaten, niet gaarne zou medewerken om den weg van zulke partieele regelingen te banen. Het is waar, men noemt het thans niet partieele regeling, maar eene tegemoetkoming in tijdelijken nood; maar ik kan evenmin de hand leenen om tusschen het tegenwoordig tijdstip en dat waarop de regeling in haar geheel zal kunnen worden vastgesteld, zulke tijdelijke tegemoetkomingen in te schuiven.

Eén woord over het eerste punt. De geachte spreker heeft den toestand voogesteld, die bij ons bestond volgens de reglementen van 1815; doch ik sprak niet van dien, maar van den vroegeren toestand. Ik kan mij bedriegen, maar ik meen dat vroeger bij onze hoogescholen zulk een controle niet bestond. De gymnasia hadden het zoogenaamde jus promovendi; doch niet alleen hij werd toegelaten die van een der gymnasia gepromoveerd was; noch herinner ik mij, dat toen. zoo de jongelieden niet gepromoveerd waren van een gymnasium, een examen bij de academiën werd afgenomen, zooals dit na de besluiten van 1815 plaats had. Dit is een feit dat men kan onderzoeken; ik wil daarover op dit oogenblik niet met volkomen zekerheid spreken, hoewel ik geloof, dat de zaak zoo is als ik die heb voorgesteld. In allen gevalle is dit de toestand, waarop ik het oog had.

Algemeene beraadslaging over het hooger onderwijs. De jongelieden, klaagde de heer van Lennep, die de gymnasia verlaten, zijn achterlijk in de kennis van onze taal en onze geschiedenis. Men moest de jongelieden die met lust tot ontwikkeling in taalkunde en geschiedenis de hoogeschool bezochten, de gelegenheid verstrekken, ruimer

Sluiten