Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tot hetgeen ik heb gezegd; ik meen dat een hoogleeraar de man moet zijn om in meer dan één vak jongelieden vooruit te helpen; maar ik merk op dat al hetgeen de spreker laatstelijk en ten slotte verlangt betrekking heeft tot hen, die öf in de taal of in de geschiedenis specialiteiten wenschen te worden. Hoe hangt dat nu samen met de gronden waarop de geachte spreker zich in zijne eerste rede beriep ? De vervulling van zijn verlangen zou nu leiden tot het formeeren, zoo dat gevolg al bereikt wierd, van eenige weinigen; hoe zal nu de jeugd, of liever de natie in het algemeen, die de taal gebrekkig kennen en in de geschiedenis ten achteren zijn, daardoor worden gebaat? Dit vat ik niet, evenmin als wat het vormen van een paar specialiteiten met de algemeene behoefte aan opleiding in stijl en spelling gemeen kan hebben; want een behoorlijke toeleg op stijl en spelling zal dan toch wel aan de akademische studiën moeten voorafgaan.

28 November. De kamer had twee voordrachten op te maken voor de benoeming van een lid van den hoogen raad. Na de eerste stemming over de tweede voordracht deed zich de vraag voor, of daarop personen konden worden geplaatst die reeds op de eerste voorkwamen? Dit was geoorloofd, meenden sommigen, doch de koning zou dan bevoegd zijn, indien hij van oordeel was dat hem geen voldoende vrijheid van keuze werd gelaten, de voordracht terug te zenden.

Drie sprekers, die uit Steenwijk, die uit Arnhem en die uit Zevenaar. keuren een middel mogelijk, waarover ik eene bedenking in het midden heb te brengen. Voor het geval dat de Kamer op de tweede lijst personen, reeds genoemd op de eerste, plaatste, hebben die drie sprekers gemeend, dat de Koning, des verkiezende, de lijst kon terugzenden aan de Kamer. Of dit van s Konings wege, met behoud van het voorschrift der Grondwet, zou kunnen geschieden, wensch ik op dit oogenblik niet te onderzoeken; maai dit wil ik zeggen, hetgeen, dunkt mij, door niemand zal woiden betwist, dat wij in allen geval geene lijst behooren aan te bieden, waarbij aan eene terugzending van Koningswege, zoo al mogelijk, zoo al met de Grondwet vereenigbaar, zou kunnen worden gedacht. Daarvoor behoort deze Kamer zich te wachten.

De heer van Rappard stelde voor, stemmen uitgebracht op personen die reeds op de eerste voordracht voorkwamen, ongeldig te verklaren.

Ik geloof, dat zoodanig besluit door de Kamer niet kan worden genomen. De opmerking van den geachten spreker uit Deventer (de heer Storm van 's Gravesande) schijnt mij eene waarschuwing, die alle behartiging verdient. Maar ik geloof niet, dat wij verder

Sluiten