Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

30 November. Begrooting voor binnenlandsche zaken (vervolg). Artikel 82, traktementen van hoogleeraren, enz. te Leiden. Splitsing van het professoraat in de taal en geschiedenis aldaar (vergel. hiervóór, blz. 282).

Ik wil niet spreken over het cijfer, maar een enkel woord zeggen over de wijze, waarop deze verhooging is erlangd, en over het stelsel waaruit zij voorspruit.

Wat is gebeurd? De geachte spreker uit Steenwijk (de heer van Lennep) heeft reeds verleden jaar aangedrongen op die splitsing van het professoraat in de taal en geschiedenis, die nu met hulp dezer verhooging zou worden tot stand gebracht.

Nu vraag ik, wanneer ook aan andere hoogescholen en in Euidere faculteiten op gelijke gronden gelijke splitsing, als die welke de spreker voorstaat, wordt verlangd, zal daaraan dan moeten worden toegegeven? Zoo er niet aan wordt toegegeven, zal dat rechtvaardig zijn ? Zal het rechtvaardig zijn ten aanzien der andere hoogescholen ? Rechtvaardig met betrekking tot de andere wetenschappen, die vereenigd zullen blijven ? Mij dunkt, de eenzijdigheid van den voorgestelden maatregel brengt eene onrechtvaardigheid of ongelijkheid mede, die wel in bedenking mag worden genomen.

Het stelsel. Het stelsel is ons duidelijk geworden, zoo het dit niet al was, door hetgeen de geachte spreker uit Steenwijk tot aandrang heeft gezegd en door hetgeen de Minister in eene vorige zitting daarbij heeft gevoegd, het stelsel is: een hoogleeraar moet in de eerste plaats de geleerde blijven, die de grenzen van zijne wetenschap kan uitzetten. Begeeft men zich op dezen weg. dan zal men te weeg brengen, dat de professor het onderwijs in de tweede plaats zal behartigen. Ik geloof dat het wel overweging verdient of men in het belang onzer hoogescholen die richting mag begunstigen.

Ik heb het geluk gehad vele hoogescholen te zien, niet alleen bij een vluchtig bezoek, maar gedurende een langer verblijf, en ik meen waargenomen te hebben, dat daar waar het de roeping van het onderwijs en invloed op de akademische jeugd geldt, waar het geldt de jongelingen, indien ik het zoo mag uitdrukken, tot nieuwe produktieve organen der wetenschap te maken, juist niet de eerste geleerde, zelfs niet altijd de man van scheppend genie in zijn vak, maar hij, die de grootste helderheid en de beste methode bezit, tot vervulling dier taak het meest berekend is.

In allen geval mogen wij, meen ik, ons wel bedenken, eer wij aan de professoren gelegenheid geven om zich uitsluitend aan de wetenschap te wijden en het onderwijs min of meer als eene bijzaak te behandelen.

Sluiten