Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat eenige maatregel voor de toekomst was genomen. \\ aarom niet de Commissie, al was het bloot bij wijze van administratief status quo, in wezen gelaten, totdat hare taak op eene regelmatige wijze door anderen kon worden opgevat ?

Ten andere: de inmenging der Akademie van Wetenschappen. De Minister besloot die akademie te hooren. Had de Kegeering aan dat lichaam opgedragen de taak der Commissie te vervolgen, het zou mij niet hebben verwonderd. Maar ik zie niet wel in, — en wellicht is dit toe te schrijven aan onbekendheid met de oorzaak van de ontbinding der Commissie — waartoe men het advies der akademie behoefde over de vraag: hoe nu verder te handelen i

In de derde plaats heeft het mij bevreemd en doet het mij leed, dat de Minister duizend gulden en niet de vorige som, tien duizend gulden, op de begrooting heeft voorgesteld. I)at de Minister slechts duizend gulden heeft uitgetrokken, geeft te kennen dat hij een langen stilstand voorziet. Doch de Regeering moest, dunkt mij, een langen stilstand van zulk een werk niet willen voorzien.

Hoofdstuk VII der Staatsbegrooting (departement voor de zaken van den roomsch-katholieken eeredienst). Algemeene beraadslaging.

Ik onderwerp aan den Minister twee vragen.

In de Memorie van Toelichting gelijk in die van Beantwoording is sprake van reglementen van parochiaal kerkbestuur. Er wordt gezegd, dat die reglementen door den Koning zijn goedgekeurd voor zooveel noodig. Dit is, zegt men, geschied naar aanleiding van art. 1 der wet van 10 September 1853. In art. 1 vinde ik geene bepaling, die hier kan zijn bedoeld, dan die van het laatste lid: „ Voor zooveel er zich onder de bepalingen, bij dit artikel bedoeld, eenige bevindt, welke de medewerking van het Staatsgezag vereischt, wordt die medewerking niet verleend, tenzij de bepaling door Ons is goedgekeurd."

Indien nu de Koning een reglement van parochiaal kerkbestuur goedkeurt voor zooveel noodig, dan moeten in dat reglement bepalingen zijn vervat, waarop die alinea van toepassing kan zijn; bepalingen dus, welke de medewerking van het Staatsgezag vereischen. Ik vraag den Minister: welke zijn die bepalingen, welke de medewerking van het Staatsgezag vereischen, en dus de Koninklijke goedkeuring noodig maakten?

De tweede vraag betreft de nieuwe parochiale indeeling der diocesen, waarvan de Memorie van Toelichting gewaagt. Bij die indeeling kunnen sommige kerkelijke gemeenten vereenigd of gesplitst, en nieuwe ontstaan zijn. Mocht dit niet gebeurd zijn tot dusver, het kan gebeuren in het vervolg. Nu meen ik gezien te

Sluiten