Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verzekerd, dat elders noch betere voorwaarden noch beter werk zou te verkrijgen zijn geweest, ik zou tegen zijne handelwijze geen bezwaar hebben.

Het derde punt wensch ik den Minister tot nieuwe, ernstige overweging inzonderheid aan te bevelen. Ik verzoek hem te gelooven dat. wanneer ik daarover spreek, ik het doe met welwillendheid. althans zal in hetgeen ik denk te zeggen niet het minste blijk van eene andere gezindheid te vinden zijn. Het betreft liet besluit, dat in § 21 wordt verdedigd.

De Minister heeft een Koninklijk besluit gecontrasigneerd, hetgeen bepaalt dat voortaan de voordracht des Ministers van Marine tot bevordering van inferieure tot hoofdofficieren en van den eenen tot den. anderen hoofdofficiers-rang zal moeten geschieden na ingewonnen advies van eene daartoe bijeen te roepen commissie; en dat bij de voordracht tot bevorderen of passeeren van een officier het hem betreffende advies van zoodanige commissie moet worden overgelegd. Dit is. meen ik, de inhoud van het besluit.

Ik wil gelooven. Mijnheer de Voorzitter, dat de Minister, die dat besluit contrasigneerde, bedoelde zich tegen onrechtvaardigheid en miskenning jegens officieren te vrijwaren ; ik meen evenwel, dat hij, zóó handelende, meer heeft toegegeven aan — zal ik het noemen bescheidenheid of zwakheid ? ik wil liever bescheidenheid noemen — bescheidenheid, dan een Minister mag toegeven.

Ik beschouw dat besluit uit drieërlei oogpunt; met betrekking vooreerst tot de verantwoordelijkheid; ten andere tot de behoefte aan inlichting; ten derde tot den waarborg, dien de Minister door dat besluit heeft willen schenken.

1. De verantwoordelijkheid. De Minister zegt op bladz. 11 deiMemorie van Beantwoording: .Niemand zal den Koning het recht betwisten om zich op zoodanige wijze als Zijne Majesteit meest doelmatig voor den dienst voorkomt, te verzekeren, dat de voor die bevordering volgens ouderdom in rang in aanmerking komenden inderdaad aan de door de wet gestelde voorwaarden voldoen."

Dat argument, Mijnheer de Voorzitter, stel ik ter zijde, want het schijnt mij niet te pas te komen. De Minister zoekt eene verdediging van het besluit in een verlangen of eene daad des Konings buiten verband met de ministerieele handeling. Zoodanig verlangen of zoodanige daad hebben wij niet te beoordeelen. Wij hebben te beoordeelen de ministerieele daad. en die alleen.

De Minister zegt verder: „Des Ministers verantwoordelijkheid voor de uitvoering der wet wordt door de voorlichting eener commissie niet ondervangen en blijft in haar geheel; van hem gaat de voordracht tot bevordering uit: hij is daarvoor geheel aansprakelijk."

Wat brengt nu het besluit mede? Het kent aan eene niet verantwoordelijke commissie een officieelen invloed toe; aan eene

Sluiten