Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Marine — hetgeen, zoo ik hoop, in dit land nimmer het geval zal zijn, evenmin als dat ooit de Koning een waarborg tegen den Minister noodig liebbe — dan zou dat advies openbaar moeten worden gemaakt.

Hoe zal toch de instelling anders aan de officieren de zekerheid geven, welke de Minister hun verschaffen wil ?

Wij leven, Mijnheer de Voorzitter, in eene monarchie, en zoo ergens handhaving van het monarchisch beginsel, dat is niet het beginsel van persoonlijke regeering van den Koning, maar het beginsel van het met verantwoordelijke Ministers regeerend Koningschap — zoo ergens de handhaving daarvan noodzakelijk is, dan zeker op dit gebied, waar het de benoeming van officieren geldt. Doch deze maatregel heeft een democratischen schijn ; hij nadert tot een stelsel, dat men in andere landen, waar men het beproefde, veelal spoedig weder heeft verlaten, het stelsel naar hetwelk officieren niet dan onder medewerking, niet dan op de voordracht of aanbeveling hunner kameraden worden benoemd of bevorderd.

Ten slotte. Indien de maatregel noodig, indien hij constitutioneel, indien hij oorbaar is, komt hij dan enkel bij het departement van Marine, komt hij niet evenzeer voor het departement van Oorlog en voor al de andere departementen van algemeen bestuur te pas? De grond, dien de Minister bijbrengt uit de wet van 1851, dat, namelijk, de bevordering tot een hoogeren rang onderworpen is aan de voorwaarde, dat de officier, aan al wat voor het overige gevorderd wordt voldoende, de vereischte geschiktheid bezitte, die grond is met dezelfde woorden gelegd in de wet regelende de bevordering van officieren bij de landmacht. En die voorwaarde behoeft niet geschreven te worden; het is eene voorwaarde, die bij alle bevordering van ambtenaren zonder eenigen twijfel bovenaan staat. Is nu de maatregel noodzakelijk om de betrachting dier voorwaarde te verzekeren, dan bevreemdt het mij dat het besluit alleen voor het departement van Marine, en niet tevens voor alle andere ministeriën werd genomen.

4 December. Antwoord van den minister van marine.

Ik ben bij den Minister van Marine niet gelukkig geweest.

Ik heb aangedrongen op zoodanig verslag van de besteding der gelden, in een vorig jaar toegestaan, als door andere departementen pleegt te worden gedaan; een verslag, dat niet alleen wat voor het artikel in zijn geheel, maar ook voor hetgeen voor de onderdeden is uitgegeven verklaart. En wat antwoordt nu de Minister ? „Voor mij, Minister, is eene vergelijking van de uitgaven van het vorige dienstjaar met de nieuwe begrooting onmogelijk." Doch

Sluiten