Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hooren spreken over het nieuwe onderwijs op de wachtschepen. Het zal, ofschoon het daarvan den schijn had, wel de meening van den Minister niet zijn geweest, dat speciale scholen, waar ook opgericht, enkel zouden moeten dienen om te dresseeren, af te richten voor de praktijk. Volgens den Minister had de nieuwe inrichting, de afzondering van de akademie van Breda, het groote voordeel, dat de jongelieden gewend wierden aan het leven aan boord. Dat voor de theoretische vorming beter dan vroeger was gezorgd, bleek, volgens den Minister, hieruit dat de stuurmanskunst, vroeger slechts door één leeraar, thans door drie of vier werd onderwezen. Ik kan niet beoordeelen in hoever de zoogenaamde theorie bij de nieuwe instelling volledig wordt geleerd: maar ik meen, dat buiten de theorie — en wat is die anders dan de wetenschap der regelen of begrippen, waarop de praktijk steunt — voor het personeel der oorlogsmacht, en bovenal voor dat der marine, nog meer moet worden verlangd. Men denke aan de geïsoleerde leefwijze van den zeeofficier, aan de velerlei taak die hem, behalve de leiding van zijn vaartuig, zoo dikwijls wordt opgelegd. Voor hem is het niet alleen noodig de gronden der zoogenaamde praktijk te kennen, maar tevens te deelen in die algeineene ontwikkeling, die in de tegenwoordige wereld den hoogbeschaafden man kenmerkt. Ik wensch daarom, dat de vorming onzer adelborsten niet blijve binnen de perken, welke de Minister van Marine ons heeft aangewezen; en dat hetgeen de akademie te Breda voor de landmacht is of zijn kan, voortdurend ook aan de marine dienstbaar zij.

In ons klein, in zijne hulpmiddelen beperkt land, moeten wij, geloof ik, voor zooveel wij niet voor onderscheidene vakken bijzondere inrichtingen in het leven kunnen roepen, vereenigen, samenvatten, concentreeren.

Ik wil niet, dat men van allen, die aanleg voor den zeedienst toonen, verlange dat zij mannen van de wetenschap worden. Er zijn onder onze jongelieden, gelijk onder die van andere natiën, velen die dappere, flinke, voortvarende zeelieden beloven te worden zonder aanleg voor grondige of veelzijdige kennis. Ook voor dezen moet de marine open zijn: maar eene kern van hooger ontwikkelde officieren mag, geloof ik, nimmer ontbreken. Wij hebben slechts de ondervinding van de allerlaatste jaren ons voor den geest te roepen om in te zien hoe zeer ook op dit gebied kennis macht is.

Uitbreiding van het leger als waarborg tegen de leer van 1789 lag, zei de heer Groen van Prinsterer, geenszins in zijne bedoeling. Integendeel, over uitbreiding van het defensiewezen had hij zich niet uitgelaten. Doch hetgeen noodzakelijk was tot verdediging van het land, behoorde onverwijld te geschieden. De eenzijdige beschouwing van de laatste jaren, die altijd op hervorming van het belastingstelsel bedacht was, had ongunstig voor leger en vloot gewerkt.

Sluiten