Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ik heb een stip gezet en de spreker heeft daar een wijden kring omheen getrokken ; ik denk dien kring tot een zeer nauwen cirkel saam te trekken en wellicht voor de discussie van heden te sluiten.

Ik gevoel mij èn heden èn gisteren bijzonder vereerd. Een woord van mij heeft heden den afgevaardigde uit de residentie aanleiding kunnen geven tot de zelfverdediging die wij hebben gehoord: en gisteren heeft hij, zooals ik verneem, hetgeen door mij in een vroeger jaar is gezegd tot thema van bestrijding genomen. Indien het een spreker te beurt valt — hetgeen ik voor mij niet heb kunnen denken, — dat hetgeen hij een of twee jaren te voren gesproken heeft, geacht wordt zóóveel indruk te kunnen maken, dat men nog een paar jaren daarna noodig oordeelt het in de discussie op te nemen en te betwisten, Mijnheer de Voorzitter, die spreker heeft niet vruchteloos gesproken.

Mijne eenzijdigheid van beschouwing is, meent de geachte afgevaardigde, mede oorzaak geweest dat de uitgaven voor Oorlog en Marine te zeer zijn beperkt. Ik volhard bij die eenzijdigheid, en heb de redenen zooeven met een woord genoemd.

Uitbreiding. De geachte redenaar zegt dat hij geen uitbreiding wil. Hij moet die toch. dunkt mij, willen wanneer de deskundigen die willen, want op dezen gaat hij af. Ik meen daarentegen dat wij, lettende op het geheel verband der staatshuishouding, naar eigen oordeel moeten handelen. Voor het overige heb ik bij uitbreiding niet enkel aan het getal der manschappen, maar aan de middelen in het algemeen gedacht. En ik zie hier uitbreiding van de middelen ten behoeve der legermacht aangevraagd.

De geachte spreker heeft niet bedoeld „het leger te versterken tegen de leerstellingen van 1789". Ik heb gisteren zijne rede niet gehoord; men heeft mij van meer dan ééne zijde gezegd, dat hij daarin verlangde hetgeen hij nu niet wil verlangd hebben. Had hij het verlangd, het zou mij niet bevreemden, want het is de zin van wellicht meer dan eene zijner vroegere redevoeringen, en waartegen ik meen wel eens te zijn opgekomen. Tot mijn leedwezen heb ik zijne rede van gisteren niet gehoord; tot mijn leedwezen in zooverre ik den spreker gaarne aanhoor; aan den anderen kant verheug ik mij daarover, omdat ik nu niet in verzoeking ben gekomen zijne rede tegen te spreken. Waarheen zou het toch leiden, wanneer men hetgeen men voor een of meer jaren gesproken heeft, nu opzettelijk moest gaan verdedigen? Ik geloof dat dergelijke samenvatting der discussiën van verscheidene jaren een te zware last voor de beraadslaging over de begrooting van één jaar zou kunnen worden.

Het was zijne meening niet, beweert de geachte spreker, het leger, nu, tegen 1789, te versterken. Hij heeft echter niet kunnen

Sluiten