Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Nu kwam de minister van buitenlandsche zaken voor zijne ambtgenooten van financiën en koloniën in de bres. Het had op den weg gelegen van hen, die het onderwerp ter sprake brachten — meende hij — te zorgen, dat het ook ten einde kon worden gebracht. Het was „verraderlijk", de besprekingen te beeindigen, gelijk de spreker uit Maastricht deed: „wij kannen het hier niet onderzoeken; ik hoop, dat er van de eerlijkheid der ministers zal blijken". Geen der andere sprekers had de eerlijkheid van 's ministers ambtgenooten in twijfel getrokken. Alleen de heer Th. had niet durven beslissen. De aanneming van de voorgestelde motie kon dus niet anders beduiden, dan de verklaring der kamer, dat zij over de gegeven inlichtingen voldaan was. Ook de heer Groen van Prinsterer was van oordeel, dat de beteekenis der motie geene andere kon zijn, dan eene die rechtstreeks gericht was tegen de „veelbeteekenende toespraak", waarmede de heer Th. gisteren de vergadering gesloten had.

Het is niet voor de eerste maal. Mijnheer de Voorzitter, dat mij de taktiek bejegent, die nu tegen mij wordt gebezigd. Men bestrijdt bij voorkeur niet mijne redenen, maar mijn persoon. Men zoekt mijne redenen in verdenking te brengen omdat zij van mij komen. Ik wil niet onderzoeken welke wapens men daardoor mij tegen zich in de hand geeft; want ik versmaad het van die wapens gebruik te maken. Men oefent die taktiek tegen mij soms met beleefdheid, soms met grofheid. Beleefde persoonlijke interpellatie kan aanspraak hebben op een heusch antwoord, dat soms aan onze nu en dan wel eens droge discussie levendiger tint of kleur kan geven. Grofheid, insolentiën, weet ik. het is nog in den loop der discussie over een der vorige hoofdstukken dezer begrooting gebleken, voorbij te gaan met een stilzwijgen, waarvan de beteekenis voor niemand twijfelachtig kan zijn.

Ten aanzien van hetgeen men geantwoord heeft op mijne rede van gisteren, veroorloof ik mij vooraf eene algemeene opmerking. Ik ken aan den Minister van Buitenlandsche Zaken en aan den spreker uit de residentie (den heer Groen van Prinsterer) veel talent toe. Maar al hadden zij dat talent, dat ik, of dat een ander hun toeken, tien en twintig maal, ik geloof niet, Mijnheer de Voorzitter, dat het hun zou gelukt zijn, zonder een bedenktijd van 24 uren, een commentarius op mijne woorden, als dien wij hebben gehoord, uit te vinden.

Van de woorden zelf heeft men eene zeer valsche voorstelling gegeven. Ik heb bijv. niet voorgesteld de discussie te sluiten. Ik heb gezegd, van mijne zijde niet te willen medewerken tot verlenging van de discussie. Ik heb niet gezegd, zooals de geachte spreker uit de residentie behendig heeft getracht mij te doen zeggen, dat deze zaak voor dergelijke discussie, als die wij hebben gevoerd, niet vatbaar was. Ik heb gezegd, dat juist deze discussie had doen zien, dat door haar voortzetting de zaak niet op die

Sluiten