Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wijze zou worden opgehelderd als wij, als de Ministers moesten verlangen. Ik heb gesproken van eerlijkheid, Mijnheer de Voorzitter. En waarom? Omdat de Minister van Financiën dat woord had ingeroepen. Nu zegt men: eerlijkheid heeft eene dubbelzinnige beteekenis. Niet naar mijne rede. De Minister van Financiën heeft, geloof ik. niet duidelijk uitgelegd wat hij onder eerlijkheid verstond. Maar van mijne zijde heb ik gezegd, van welke eerlijkheid alleen hier sprake was; dat het, zoo men hier dat woord bezigde, de eerlijkheid gold van den bestuurder, die niets anders is dan de nauwgezetheid en rechtvaardigheid, waarmede hij het publiek belang betracht.

Het scheen mij aan het eind der zitting van gisteren duidelijk, dat door eene voortzetting der discussie dat licht niet zou opgaan hetgeen volgens het verlangen van den Minister van Koloniën allen twijfel, alle verkeerde uitlegging ten nadeele van het Gouvernement deed verdwijnen.

Volgens den Minister van Buitenlandsche Zaken had ik aan de Vergadering het stilzwijgen willen opleggen. De Minister heeft mijne woorden verkeerd gehoord, althans onjuist aangehaald. Ik heb gesproken, zoo ik mij meen te herinneren, van het opleggen van stilzwijgen aan de reclames van belanghebbenden, die beweerden dat hun recht evenzeer als het publiek belang gedeerd was. Zoo ik gezegd heb, dat alle middelen door deze Vergadering moesten worden te baat genomen om zoo mogelijk aan die reclames het stilzwijgen op te leggen, dan was de onmiskenbare bedoeling, eene helderheid te verspreiden, waartegen geene klachten of verdenkingen zouden kunnen opkomen.

Het is nu duidelijk gebleken. Mijnheer de Voorzitter, waarom het den Minister van Buitenlandsche Zaken en den spreker uit de residentie te doen is. Het is bij al dien omhaal en ophef van woorden slechts te doen om alle verder onderzoek te onderdrukken. Bij die zeer duidelijke bedoeling, heb ik niet met groot genoegen de gevoeligheid waargenomen, waarmede de Minister van Buitenlandsche Zaken scheen te spreken. Het ware mij zeer natuurlijk voorgekomen, indien de Ministers van 1 inanciën en van Koloniën hier. na vernomen te hebben dat een voorstel tot het doen eener enquête was ingediend, de eersten waren opgestaan om te verklaren, dat het hun wensch was dat die enquête zoo spoedig mogelijk plaats vond. Die verklaring zou, meer dan alle woorden, welke door hen tot dusverre zijn gebezigd, woorden die sommigen schijnen te hebben voldaan, doch bij anderen nieuwen twijfel hebben opgewekt, een gunstig vermoeden bij iedereen, ook bij diegenen, die wellicht op dit oogenblik een minder gunstig vermoeden koesteren, voor die Ministers hebben opgewekt.

Ik vraag thans niet, of er grond voor enquête is. Dat is eene

Sluiten