Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

I. De Rotterdamsche kamer volgende, kan men vier hoofdtakken onderscheiden: spinnen; weven, zoowel van witte goederen als van die welke uit gekleurde garens worden vervaardigd; bleeken: drukken en verven. Zien wij. welke nadeelen deze, aldus samengestelde. industrie hier te lande te overwinnen heeft.

In de eerste plaats moeten de garens doorgaans komen van elders en zijn zij dus met de aan het vervoer verbondene kosten en inkomende rechten bezwaard. W ij hebben eenige spinfabrieken, maar deze voorzien op verre na niet in de behoefte. De waarde van het garen bedraagt althans 3/4 of 75 per cent van de waarde van het geweven product, zoodat het weven de waarde met niet meer dan 25 per cent verhoogt.

In de tweede plaats: ook de machinerieën moeten, voor een deel tenminste, van buiten worden ontboden.

In de derde plaats: het voedingsmiddel van de beweegkracht, die men behoeft, de steenkolen, moet niet alleen eveneens van elders worden ontboden, maar is hier tengevolge van den accijns bezwaard.

Daarbij komt. ten vierde, de beperktheid onzer débouchés, vergeleken inzonderheid met de wegen van vertier, die voor de Lngelsche, Ihiitsche en Zwitsersche nijverheid openstaan. De Engelschen, Zwitsers en Duitschers werken, behalve voor Java, voor alle markten der nieuwe wereld; wij voor onzen Archipel alleen, hn waaraan is dit toe te schrijven V De schuld is aan tweeërlei oorzaak te wijten. Vooreerst aan de bescherming van onzen invoer op Java. waardoor onze nijverheid de richting kreeg om uitsluitend voor de behoeften van Nederlandsch Indië te arbeiden. Ten andere aan den steun, dien men aan onze katoennijverheid in de Handelmaatschappij gaf. Zij verliet zich op de Handelmaatschappij als den noodzakelijken tusschenpersoon; zij leverde aan haar; ja de fabrikant vroeg niet wat hij op de overzeesche markt, maar wat hij aan de Handelmaatschappij kon afzetten.

Welk natuurlijk voordeel staat tegen deze nadeelen over? Eén voordeel hoofdzakelijk, dat wij ook in het vertoog der Rotterdamsche kamer van koophandel aangeteekend vinden. Het is echter slechts een voordeel vergeleken met Engeland, niet in vergelijking met Duitschland en Zwitserland: het is het lager arbeidsloon.

Ik wensch evenwel, dat men dat voordeel niet te hoog schatte. Men mag het voor het oogenblik, niet in het uitzicht op eene groote vlucht onzer nijverheid, in rekening brengen. Het schijnt mij zelfs niet wenschelijk, dat de prijs van den arbeid op den duur laag blijve. Hooger loon zal ook bij ons een bloeienden toestand der industrie vergezellen. Uit het gezichtspunt van den arbeider, en dus van de massa, altijd wenschelijk, is hoog loon dat \\ aai vooi hij veel kan koopen. 1 )e ondernemer of fabrikant noemt hoog loon

Sluiten