Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dit vooropgesteld, meen ik dat tweeërlei reden pleit om in deze wet, al is het eene tijdelijke wet, — waarvan de bepalingen evenwel. zoo ik hoop, consuetudinair zullen worden, — het aardappelenmeel op te nemen.

De eerste is het belang der fabrieken. Aardappelenmeel is eene hulpstof der fabrikatie, en heeft dus. als zoodanig, aanspraak op de vrijstelling, die aan grond- en hulpstoffen pleegt te worden verleend.

Ten andere — en op dit punt is de vrijstelling, die ik vraag, met de belangen welke door dit wets-ontwerp in bescherming worden genomen in rechtstreeksch verband — hoe vrijer de invoer van dat meel zal zijn. des te minder zullen onze aardappelen aan hunne bestemming tot voeding worden onttrokken. Ik behoef den Minister niet te zeggen, dat in België, gelijk in eenige andere landen, de uitvoer van aardappelen zoowel als van aardappelenmeel verboden is: en dat de hoeveelheid aardappelen, noodig om het meel alleen voor den dienst onzer papierfabrieken te bereiden, op 1,200,000 pond wordt begroot.

Ik neem uit dien hoofde de vrijheid, een amendement voor te stellen op art. 1, dat, aangenomen, zal worden gevolgd door een ander op art. 4. Ik stel namelijk voor in art. 1, in den derden regel van onderen, achter „graansoorten" in te lasschen: „en van aardappelen".

Overwegende redenen tegen het amendement bestonden er bij den minister van financiën niet. Doch de wijziging, zeide hij, behoorde bij eene herziening van het tarief, niet bij deze tijdelijke wet te geschieden.

Ik ben zeer voldaan over het tegemoetkomend antwoord van den Minister, en geloof dan ook bij hem een genegen oor te zullen vinden, wanneer ik aan hem, gelijk aan de Vergadering, nog de volgende bedenkingen onderwerpe.

De Minister zegt: in het distrikt, waaruit de spreker uit Maastricht is afgevaardigd, zijn aanzienlijke papierfabrieken. Het is waar. maar zij worden niet in dat distrikt alléén gevonden, en het zijn ook niet enkel de papierfabrieken, die bij aanneming van het door mij voorgestelde amendement zullen worden gebaat.

De gevraagde vermindering, zegt de Minister verder, van invoerrecht komt eigenlijk niet hier. maar bij de herziening van het tarief te pas. Ik erken dat. voor zooveel wij enkel op methodieke orde letten; maar ik vraag tevens, of, wanneer de gelegenheid zich aanbiedt om zulk eene verbetering te maken, wij die gelegenheid behooren te laten voorbijgaan, om tot het wellicht verwijderd tijdstip eener herziening van het tarief te wachten.

Daarbij komt het vermoeden, waaraan ik niet vreemd ben, dat men bij de jongste tariefherziening niet heeft doorgedacht over de redenen, die verlaging van het recht op den invoer van aard-

Sluiten