is toegevoegd aan je favorieten.

De onuitgegeven parlementaire redevoeringen van Mr. J. R. Thorbecke

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

want stelt men het tijdstip zoo kort. dan kan de werking der wet niet worden nagegaan."

Dat is een andere grond van herziening, dan waarop ik die binnen zeer korten tijd wensch. Indien wij de herziening moesten uitstellen, totdat wij de werking der wet genoegzaam kennen, dan zouden wTij niet twee of drie jaren, maar een tijdvak van vijf jaren moeten nemen. Doch dit is niet de grond, waarop ik eene reeds spoedige herziening verlang; ik verlang die omdat ik de wet hoogst gebrekkig acht; ik wensch daarom dat zij aan de orde blijve, en men bij het Departement van Financiën met eene nu reeds noodige verbetering onverwijld voortga. Eene herziening op grond van de ondervinding, welke de werking der wet zal schenken, moet tot later worden bewaard. De herziening, welke ik begeer, is eigenlijk een suppletoir werk van hetgeen wij nu verrichten, dewijl wij de taak waarmede wij nu bezig zijn, niet ten einde kunnen brengen. Ik zou mij tegen deze wet moeten verklaren, indien zij eene langere werking dan voor een jaar mocht erlangen.

Ik kome tot de twee alinea's, waartegen mijne bedenkingen bijzonder waren gericht, of liever, waarover ik voornamelijk meende den Minister eenige vragen te moeten onderwerpen, ten einde voor de rechtvaardigheid dezer wet eenigen waarborg te erlangen.

Het antwoord van den Minister op die twee punten heeft mij niet voldaan; ik schrijf dit evenwel niet t®e aan den Minister, maar daaraan, dat ik niet duidelijk geweest ben.

Mijne eerste vraag betrof de tweede alinea. In het geval bij de tweede alinea bedoeld werken de branders volgens den regel van art. 22; zij moeten dus volgens de wet worden aangeslagen naar art. 28. Maar nu zegt art. 29, dat hun eene korting zal worden verleend, eene korting bepaald bij de tweede alinea. De aanslag wordt voor het eerste tijdperk van 7 kan 78 vingerhoeden tot 7 kan 2 vingerhoeden; voor het tweede, van 7 kan 52 vingerhoeden tot 6 kan 80 vingerhoeden, en voor het derde, van 6 kan 14 vingerhoeden tot 5 kan 70 vingerhoeden verminderd. Nu heb ik gevraagd, althans gemeend te vragen, waarom, zoo die korting billijk is, diezelfde maatstaf niet de eenige wettige regel is. Want die branders wijken niet van de wet af; zij werken in het geval van de tweede alinea volgens den regel van art. 22.

Eene andere vraag betrof de derde alinea. In het geval, door die alinea bedoeld, werken de branders niet volgens den regel van art. 22. Ik onderstel dat, wanneer art. 22 een maximum vaststelt, het dit maximum zóó bepaalt, omdat de branders niet, zonder nadeel, meer meel in de bakken kunnen beslaan. Die derde alinea nu spreekt van de branders, die niet werken naar den regel van art. 22, maar die minder meel wenschen in te slaan. Uit de rede van den afgevaardigde uit Almelo (de heer van der Linden) die