Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ons denkelijk naar het advies van deskundigen heeft ingelicht, hebben wij vernomen, dat bijvoorbeeld de Schiedamsche branders en al degenen, die gist wenschen te fabriceeren, een dunner beslag behoeven. Welnu, deze vragen dus vergunning om minder meel te nemen. Wat zal dan het gevolg zijn? Dan zullen die branders niet worden aangeslagen volgens den regel van art. 28 met de korting, maar per pond meel door hen gebruikt, het pond gerekend op 56 vingerhoeden. Nu is mijne vraag: Is de reden (ik vraag verlof, Mijnheer de Voorzitter, hetgeen ik bedoel reden te mogen noemen; verhouding schijnt mij geen Hollandsch) tusschen den aanslag, in de tweede alinea op 7.02 of 6.80 of 5.70 in de verschillende tijdperken gesteld, en de 56 vingerhoeden per pond juist, zóó dat de brander, die werkt volgens art. 22. niet meer noch minder in de belasting betale dan de brander, die, zich niet houdende aan de daar bedoelde hoeveelheid meel. aangeslagen wordt per pond tegen 56 vingerhoeden ? Zoo de Minister mij antwoordt: Die reden is juist, dan vraag ik: Kan de Minister mij de gronden niet opgeven waaruit die juistheid blijkt? Ik heb getracht, Mijnheer de Voorzitter, mij daarvan door eigen becijfering te overtuigen, doch dit is mij niet gelukt. Ik wensch dus van den Minister opheldering te bekomen over dit punt. hetgeen mij ter beoordeeling van deze wet toeschijnt van het uiterste gewicht te zijn. Ik heb reeds bij mijne eerste rede herinnerd, hetgeen door de Limburgsche branders beweerd wordt, dat de reden niet juist is, en dat meer betaald zal worden door de branders die met het volle beslag, volgens de wet werken en belast worden naar de 2de alinea van art. 29, dan door hen. die art. 22 verzaken en naar de 3de alinea van art. 29 zullen worden belast.

Art. 49: „Deze wet treedt in werking met 1° Januari 1856." De heer Wintgens stelde voor, daaraan toe te voegen: „doch zal vóór den 31sten December 1857 aan eene herziening worden onderworpen.

Ik wensch in allen gevalle als sub-amendement aan de \ ergadering in bedenking te geven het jaartal 1857 te veranderen in 1856. Mij zou het verkieslijk voorkomen dit ontwerp slechts voor een bepaalden tijd aan te nemen, voor één jaar of ten hoogste voor twee jaren; waaraan dus de verplichting zou verbonden zijn de nieuwe wet binnen dien tijd tot stand te brengen. Dat is een ander denkbeeld dan dat van het amendement. Maar ik wil de Vergadering nu daarmede niet ophouden. Ik vergenoeg mij dus met een sub-amendement.

Zooals het amendement van den geachten afgevaardigde uit Delft luidt, zal het mogelijk zijn dat wij heden over twee jaren een voorstel tot herziening ontvangen, in welk geval deze wet althans nog drie jaren in werking zal blijven. Doch zij schijnt mij zoo

Sluiten