Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

worden. Het werk wordt aan de goedkeuring van het Gouvernement onderworpen, en het waterschapsbestuur moet zich naar de voorschriften van het Gouvernement over de wijze van uitvoeiing gedragen. Waarom ?

Is zoodanige kapitulatie, met de belanghebbenden aan te gaan, wel vrij van bedenking ? Moet zij niet hiertoe leiden, dat een waterschap zijn zoogenaamd eigenbelang alleen raadplegende, tot het Gouvernement zal zeggen: wij zouden voor ons met minder kunnen volstaan, maar geef ons een subsidie en wij zullen het werk verder uitstrekken. Het gevolg is onvermijdelijk, dat de waterschappen zullen trachten de vervulling hunner taak, hunner verplichting voor een subsidie aan het Gouvernement te verkoopen. Moet het Gouvernement zich op dien weg begeven V

De Minister zegt: „wat de beginselen betreft, ben ik liet met den spreker uit Maastricht eens, maar men moet hier niet uit algemeene beginselen redeneeren, want hier is eene buitengewone omstandigheid."

Dit zie ik niet in; de redenen, voor deze subsidiën bijgebracht, kunnen evenzeer gelden, wanneer er geen watersnood is voorafgegaan ; zij kunnen in honderd andere gevallen met gelijk recht worden aangevoerd, en zullen, zoo men rechtvaardig of onpaitijdig wil zijn, in al die gevallen gelijke gevolgen moeten hebben.

„De Provinciale Staten," zegt de Minister verder, „konden niet worden gehoord; er was daartoe geen tijd. Wanneer is de ïamp geleden ? Immers voorleden winter; geheel het jaar is vooi bij gegaan: de Provinciale Staten zijn twee malen vergaderd geweest en nu op het laatst van het jaar komt men met een voorstel van wet en zegt ons, dat er haast is. Ik geloof dat er tijd genoeg is geweest, en zelfs dat er nog tijd is, wanneer men de Iio\inciale Staten zou willen hooren; de werken toch kunnen worden voltooid en later kan de betaling volgen. Derhalve heeft de reden, waarop bij herhaling wordt aangedrongen, „er is geen tijd, het wetsv ooi stel eischt de spoedigste aanneming," hier geene kracht.

Met leedwezen heb ik door de Regeering antecedenten uit de jaren 1825 en 1827 zien inroepen; antecedenten, waarvan ik niets wil weten; antecedenten, wier invloed wij juist moeten weren; wij zijn sedert 1848 in een nieuw tijdvak getreden, en het komt mij voor dat men moet vermijden tot vroegere antecedenten om te keeren. Doch de spreker uit Zutfen (de heer Dullert) heett mij een antecedent tegengeworpen uit de begrooting voor het jaar 1851, welke dus in 1850 was opgemaakt. Bij of uit die begrooting is, zooals die spreker beweert, een subsidie toegestaan aan hetzelfde waterschap, waarvan thans sprake is, de Over-Betuwe, van f 10,000. Ik herinner mij niets van de geschiedenis van zoodanig subsidie: in de begrootingswet staat er niets van te lezen; ik weet niet of

Sluiten