Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het is mogelijk dat een ambtenaar, persoonlijk belang hebbende, een eerlijk, trouw advies uitbrenge, maar de waakzaamheid voor het publiek belang eischt, dat de grenzen scherp worden getrokken. Zelfs de mogelijkheid van eigenbelang blijve verwijderd van hem wiens advies op de handelingen der Regeering invloed kan hebben.

Hieraan, Mijnheer de Voorzitter, houde ik als aan een algemeenen, onomstootelijken regel vast. De zaak in concreto beschouwd, kan ik mij de mogelijkheid voorstellen, dat de voormalige Minister van Koloniën gemeend heeft in het publiek belang te handelen, niet alleen wanneer hij het advies hoorde van een ambtenaar, die meende te mogen mededingen, maar wanneer hij dien zelfs aanmoedigde 0111 in gemeenschap met zekere andere personen het werk te ondernemen ; ik kan het voor denkbaar houden, dat de Minister gemeend heeft dat dit de eenige weg was om goed werk te verkrijgen; maar ik geloof tevens, dat. indien de Minister zóó gedacht heeft, hij, schoon te goeder trouw, niet alles heeft overwogen wat een Minister, bij eenig beleid, in zoodanig geval behoort te overwegen. De intentie van den Minister laat ik, zooals ik van den beginne af gedaan heb. geheel en al buiten beschouwing, maar de vraag is deze: was de weg. dien hij insloeg, de eenige, was het de beste, was het een geoorloofde weg om het publiek belang te behartigen ? Heeft de Minister zich daarin niet bedrogen? Daarover meer inlichting te vragen van het Gouvernement, kan tot geene uitkomst leiden, maar het kan tot zekerheid gebracht worden door eene enquête, die moet doen blijken of hier wel, volgens de eischen van een goed bestuur, in het meeste belang van den Staat is gehandeld.

Ik herinner mij eene gebeurtenis in deze Kamer, elf jaar geleden. In 1845, meen ik, werd er over de verkeerdheden en misbruiken, die in de wetgeving en het bestuur der kolonie Suriname bestonden, een uitvoerig adres ingeleverd aan de Tweede Kamer. Daarover stelde het geachte lid uit Utrecht, de heer van Goltstein, voor eene commissie van onderzoek te benoemen. Hij deed dat voorstel, schoon onmiddellijk nadat het verslag over het adres was uitgebracht, zonder dat nog iemand het woord had gevoerd, de Minister van Koloniën het woord had genomen om in eene zeer uitgebreide rede zich te verdedigen. Het voorstel tot het benoemen eener commissie van onderzoek — het woord enquête had men toen nog niet in de Grondwet — vond tegenstand. De Kamer besloot evenwel tot de benoeming. De commissie bracht een zeer belangrijk rapport uit. Maar de conclusie? Het bleek ook hier. dat besluit en handeling bij ons niet altijd in overeenstemming zijn met de woorden en de overtuiging. Veel spreken en weinig doen. De commissie stelde, als besluit van haar rapport een adres voor aan den Koning, aan te bieden door de beide Kamers: door de Eerste Kamer ook,

Sluiten