Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

daarvan buiten de grenzen te drijven en alzoo van de aanneming af te schrikken. Bij de meest stoute verbeelding zou ik mij niet hebben durven voorstellen, zou ik het vóór de rede van den geachten spreker niet denkbaar hebben geacht, dat uit de hier voorgestelde conclusie almacht, omnipotentie der Kamer wierd afgeleid.

Ik wil die overdrijving ook niet bestrijden. Ik wil over de rede van den geachten spreker mij alleen de opmerking veroorloven, die dezer dagen reeds te pas gekomen is, dat wij ons hier weder bevinden in den strijd over de voorkeur van de rechte of van de kromme lijn. Macht ontzegt de geachte spreker aan de Tweede Kamer, maar invloed, zijdelingsehen invloed, heeft hij gezegd, wenscht hij haar te verzekeren. Het komt neder op hetgeen wij zoo dikwijls ondervonden hebben: veel spreken en weinig doen.

Bij den spreker uit de residentie heeft de rede van den Minister van Binnenlandsche Zaken toejuiching gevonden, en daarom is liet dubbel plicht, de miskende bevoegdheid der Kamer te verdedigen.

De Minister heeft drie stellingen voorgedragen. De Kamer kan inlichtingen vragen. Die inlichtingen gevraagd, wat kan zij doen? Niets meer, zegt de Minister, dan die inlichtingen goed- of afkeuren. De ontvangen inlichtingen goed- of af te keuren? Welke beteekenis heeft zoodanige bevoegdheid? Mij dunkt, de Minister heeft het doel geheel over het hoofd gezien. Het recht om inlichtingen te vragen is in onmiddellijk verband met de ministerieele verantwoordelijkheid, met de rekenschap, welke de Minister aan de Vertegenwoordiging verschuldigd is; het is een der middelen om die verantwoordelijkheid in werking te brengen.

De Minister zegt in de tweede plaats: de Kamer heeft geene administratieve rechtsmacht. En 0111 dat te betoogen heeft hij als grond bijgebracht: „Zoo de Kamer, bij de gestadige afwisseling harer leden, rechtsmacht had, welke afwisseling van rechtspraak ware dan niet te wachten!" De Minister heeft niet bedacht, dat ook het personeel der Ministers verandert. De Kamer heeft geene administratieve rechtsmacht! Ligt in de conclusie der Commissie eene aanmatiging van rechtsmacht? Ik zie er niets in dan dat aan de Kamer wordt voorgesteld een oordeel uit te spreken.

De Minister zegt: de Kamer is niet bevoegd tot authentieken uitleg der wet. Niemand zal dat beweren. Hoe komt het te pas, dat hier te zeggen? Het heeft niet de minste gemeenschap met de conclusie. Ik heb niet gezien, dat de Commissie hetgeen zij voor de ware uitlegging van de wet houdt, wil doen doorgaan voor eene authentieke interpretatie. Maar wil men aan de Tweede Kamer het recht betwisten 0111 hare meening te verklaren ten aanzien van de uitlegging eener wet? Mij dunkt, de conclusie gaat niet verder. Het komt mij voor, dat men, aan de Commissie iets

Sluiten