Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Is dat wel juist? Er zijn onderscheidene banken in ons land, die met middelen werken, haar door de gemeenteraden verstrekt. Indien nu bij verdeeling een burgerlijk geschil, over eigendom bijv., ontstaat tusschen de gemeenteraden, dan is, dunkt mij, de burgerlijke rechter en hij alleen bevoegd. Ik zie daarenboven niet waarom het noodig is, wanneer de gemeenteraden zich verstaan. Gedeputeerde Staten in de zaak te mengen.

Ik zou derhalve wenschen het tweede lid aldus te lezen, eene lezing die ik aan den Minister en aan de Vergadering onderwerp:

„Indien de bank voor meer dan ééne gemeente was opgericht, zijn bij geschil over het aandeel van elke gemeente in het batig slot. de artt. 147 en 161 der provinciale wet" of volgens de tegenwoordige lastige wijze van aanhalen, „der wet van 10 Juli 1850 (Staatsblad nu. 39), van toepassing".

Dan zullen Gedeputeerde Staten trachten het geschil in der minne te doen bijleggen, en, zoo zij daarin- niet slagen, het geval aan den Koning ter beslissing voordragen, tenzij de burgerlijke rechter bevoegd ware.

De minister verzette zich tegen het amendement.

De minister meent dat, wat het tweede punt betreft, het beter is van den beginne af aan de zaak te brengen bij de hoogere autoriteit, dan haar aan de gemeenteraden over te laten. Ik kan de reden niet inzien. Zoo de gemeenteraden de zaak onderling vinden, waartoe dan tusschenkomst van het provinciaal bestuur 'i Dit. dunkt mij, is eene willekeurige inmenging.

Wat het andere punt aangaat, spreekt het, meent de minister, van zelf. dat wanneer de verdeeling aanleiding geeft tot eene burgerlijke rechtsvordering, niet meer het college van Gedeputeerde Staten maar de burgerlijke rechter bevoegd zal wezen. Maar men herinnere zich den toestand onzer wetgeving. Vooreerst hebben wij gezorgd, dat in de Grondwet de artikelen, waarbij voorheen aan de Provinciale Staten of aan den Koning de beslissing van alle geschillen tusschen provinciën en gemeenten was opgedragen, wierden verbeterd : wij hebben gezorgd dat in de Grondwet zelve de noodige uitzondering wierd gemaakt en dat de bevoegdheid der besturende machten tot geschillen van bestuur wierd beperkt. Wij hebben hetzelfde gedaan in onze andere wetten en daarin, Mijnheer de Voorzitter, is die onderscheiding, geloof ik, niet minder noodzakelijk. Ik behoef den Minister en der Vergadering slechts het artikel van de Grondwet te herinneren dat zegt: „De wetten zijn onschendbaar". Zal de rechter, wanneer hij in eene wet de volstrekte bepaling leest: „de Gedeputeerde Staten bepalen het aandeel", en zich daarbij herinnert, „de wetten zijn onschendbaar", niet

Sluiten