Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het recht van onderzoek, van enquête, in algemeenen zin, behoefde, mijns inziens, niet aan de Kamer te worden verleend. De Tweede Kamer heeft dat recht van zelve, evenals de Eerste Kamer het hezit. Maar hetgeen vestiging en regeling bij de wet behoefde is de verplichting der ingezetenen, om op de vragen van wege dé Tweede Kamer ten behoeve van het onderwerp der enquête gedaan te antwoorden. Hierin bestaat het recht van enquête in enger zin Al lazen wij in de Grondwet niet: „De Tweede Kamer heeft liet recht van onderzoek (enquête)", de wet kon die verbintenis om inlichting te geven evenzeer leggen op allen, wier medewerking tot opheldering van eene bepaalde zaak door de Tweede Kamer in het algemeen zou worden gevraagd.

Dit brengt mij tot eene opmerking over de plaats, waar het artikel staat: dat zegt: „De Tweede Kamer heeft het recht van onderzoek (enquête), te regelen door de wet". Bij eene vorige gelegenheid hebben wij meer dan éên vertoog over die plaatshig^en over gevolgen, daaruit af te leiden, gehoord. Ik geloof niet dat onze of eenige Grondwet, die wij tot dusver kennen, als een zoo symmetrisch geheel mag worden aangemerkt, dat men niet licht uit de plaatsing van een artikel redeneerende, tot verkeerde Gevolgtrekkingen zou kunnen vervallen. Mij komt het niet vreemd voor dat men in 1848 dat voorschrift daar heeft ingelascht, waar liet nu wordt gelezen. Het volgt op het artikel, waar het recht van de leden der Kamers om inlichtingen aan de Ministers te vragen wordt behandeld. Is het onnatuurlijk, dat men, naar eene plaats voor de vestiging van het recht van enquête zoekende die plaats gekozen heeft? Het verband tusschen het recht van enquête en dat van interpellatie is dunkt mij onmiskenbaar. Het recht van interpellatie is het recht van enquête toegepast op de ministers* het recht van enquête is het recht van interpellatie toegepast op alle andere ingezetenen, welke de Tweede Kamer goedvindt te ondervragen.

Bij de beraadslaging over een vorig voorstel tot enquête is beweerd. dat de wetgever wellicht goed zou hebben gedaan, indien hy enquete tot een onderwerp van gemeen overleg met de Eerste Kamer en het Gouvernement had gemaakt. Gewis een uitnemend middel 0111 elk onderzoek, dat aan het Gouvernement niet welge\allig ware, te stuiten; doch waartoe de Grondwet, zooveel ik zie. niet de minste aanleiding geeft.

Volgens eene andere stelling is het recht van enquête uitsluitend toepasselijk op den afzonderlijken werkkring van de Tweede Kamer, zoodat het niet kan worden uitgeoefend ten aanzien van eemg deel der taak. welke de Tweede met de Eerste Kamer ommeen heeft. Indien die stelling juist is, dan zal wellicht het voors°tel van den afgevaardigde uit Drente niet gunstig kunnen worden be-

Sluiten