Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Toen ik den gcachten afgevaardigde uit Alkmaar (den heer Rochussen) gehooi d liad. heb ik mij zeiven gezegd, dat de toestand van Indië voor mijne kritiek althans niet genaakbaar kon zijn. Volgens den oud-Gouverneur-Generaal is het bestuur in Indië zoo uitnemend georganiseerd, is daar de rijpe wijsheid van den staatsman met al de frischheid en kracht van den jeugdigen leeftijd zoo gelukkig vereenigd. dat het de verbeelding bijkans te boven gaat. Men behoeft slechts „voorzichtigheid" om niet te bederven. Zeer zeker zou ik dan ook in diezelfde vergadering, waarin zoo door dien afgevaardigde gesproken is. het woord niet durven nemen, zoo ik mij daartoe na de rede van den Minister niet verplicht rekende.

Vooraf breng ik eene persoonlijke opmerking met een enkel woord ter zijde.

De Minister vertrouwde met mij eenstemmig van inzicht te zullen zijn in het studeervertrek: de praktijk scheen eene andere vraag. Ik geloof niet dat mijne woorden aanleiding gegeven hebben om aan een studeervertrek te denken, en ik behoef den Minister zeker niet te herinneren, dat hij eerst sedert korten tijd aan deze tafel, waar anderen jaren hebben gezeten, plaats heeft genomen. Het is hier niet om geleerdheid, om bespiegeling, het is om de oplossing van praktische vragen, om een goed beleid van de regeering. ten aanzien van bepaalde aangelegenheden, te doen.

I)e Minister heeft zich beklaagd, dat ik van de drie feiten, die hij had opgenoemd om de goede werking van het besluit van 1850 te betoogen. slechts één had vermeld. De Minister heeft dan niet juist gehoord, want ik heb ze alle drie genoemd, maar met de opmerking, dat noch het een, noch het ander veel voor zijne stelling scheen te bewijzen. Vooreerst niet de concessie voor de kopermijnen op Timor. Wij hebben van den geachten afgevaardigde uit Alkmaar vernomen, dat het noodige kapitaal niet te vinden was, en de ondernemer wellicht geen vertrouwen genoot. Dan schijnt de concessie te vroeg verleend: doch wat daarvan zij, de concessie is niet tot uitvoering gekomen. Wat bewijst de vorming van eene maatschappij te Batavia, zoolang hare ontginningen niet verder dan die op Timor, zijn gevorderd ?

Het derde feit is de onderneming van Biliton: juist de zaak. waarbij over de handelwijze zelve der Regeering wordt geklaagd.

Te dien aanzien beoordeel ik niet. Mijnheer de Voorzitter, of de Regeering, tegenover de concessionarissen en met betrekking tot het contract, gelijk dan ongelijk heeft; ik ken die zaak niet genoeg: ik wenschte juist daarom, dat aan de laatste vraag van den afgevaardigde uit Almelo wierd voldaan '); dan zou de kennis

') De heer van Ilöevell had gevraagd, of er bezwaar bestond tegen de overlegging der tusschen het gouvernement en de concessionarissen gewisselde stukken.

Sluiten